Autobiografie van Lee Iacocca

De autobiografie blijft een populair genre. Onlangs schreven zowel Boris Beckers, als zijn rivaal Bjorn Borg hun eigen verhaal. In dit geval gaat het niet om een sporter, maar om een ondernemer.

"Een autobiografie," is geschreven door William Novak, maar de inhoud komt van Lee Iacocca zelf. Het was voor mij een bekende naam, maar echt plaatsen kon ik hem toch niet. In dit blog wordt hij een keer genoemd. En dan ... heb ik de biografie van Henry Ford - vrij relevant in het verhaal - nog niet gelezen. Wel deels, maar meestal heb ik een boek echt gelezen of bestudeerd wanneer ik er ook over geschreven heb, en dat is niet het geval. Het boek is opgedragen aan zijn vrouw Mary die in het boek duidelijk een rol krijgt, diabetes heeft en mede daardoor een zwakke gezondheid [je ziet hier de rol van de tijdgeest, want er is sindsdien veel veranderd] en ...

Ik las een vertaling, waar de Spaanse titel, vertaald "de biografie van een winnaar," kreeg. Teruglezend blijkt het gewone verhaal zonder dat rare bijvoegsel.

De structuur van de biografie heb ik aan het eind overgenomen, omdat die best interessant is voor biografen en biografie-enthousiasten. 

Het mooiste aan dit boek komt op het eind. Hoofdstuk 28 heb ik (hieronder integraal) toegevoegd, omdat het de legendarische titel draagt: Making America Great Again. In de Spaanse versie is dat vertaald als: geef het land zijn glans terug. Mooie vertaling ook wanneer je dit met het huidige MAGA vergelijkt! Glans is er weinig, het is een doffe ellende met die rode petjes... [maar dat terzijde]

Iacocca komt voor in het boek, de 1000 CEO's met deze vermelding:
Lee Iacocca President, voorzitter en CEO (1978–92), Chrysler
Red Chrysler van Oblivion in de jaren tachtig, het succes van Iacocca als CEO is een van de klassieke ommekeerverhalen van de 20e eeuw. Zijn opmerkelijke prestatie bij het herstellen van de ogenschijnlijk gedoemde autofabrikant weer tot gezondheid heeft Iacocca tot een zeer gerespecteerde figuur gemaakt, zowel voor zijn zakelijke inzicht als zijn algemene leiderschapsvaardigheden. Het is een voorbeeld van het leerboek geworden van hoe de visie, het inzicht en de doorzettingsvermogen van één persoon zelfs het meest onrustige bedrijf kunnen transformeren, van een mandkast tot een bloeiende zorg.
"Motivatie is alles." Lee Iacocca
Tegen de muur - De 32-jarige carrière van Iacocca bij Ford Motor Company kwam tot een dramatisch einde toen hij in 1978 werd ontslagen door Henry Ford II, ondanks dat het bedrijf in zijn laatste jaar als president een winst van $ 2 miljard heeft opgeleverd. Iacocca werd onmiddellijk weggekaapt om het over te nemen bij Chrysler, waar de impact van de olieprijzen, concurrentie uit Japan, hoge productiekosten, het terugroepen van voertuigen en enkele slechte strategische beslissingen het 50-jarige bedrijf naar de rand van faillissement hadden geduwd.

Het ondenkbare doen - Om de onmiddellijke dreiging aan te pakken, heeft Iacocca de gewaagde stap gezet om de Amerikaanse overheid een verzoek om $ 1,5 miljard aan leningen te garanderen. Dit was een controversiële stap voor zowel het bedrijf als de overheid, maar Iacocca voerde aan dat het aantal banen dat het zou besparen het de moeite waard zou maken. Met de onmiddellijke bedreiging verwijderd, hervormde Iacocca het bedrijf vervolgens. Hij huurde de beste managers in die hij kon vinden, gesloten planten en ontslagen werknemers. Hij stroomlijnde fabrieken en zette ze uit met de nieuwste machines. Hij stopte met de productie van onrendabele grote auto's en begon te werken aan kleinere, in lijn met de post-olie-schokvraag naar meer zuinige voertuigen. Naarmate zijn veranderingen begonnen te bijten en de gezondheid van het bedrijf verbeterde, ging Iacocca joint ventures aan en maakte acquisities die geschikt waren voor de nieuwe vorm van de organisatie. Hij werd ook het publieke gezicht van Chrysler, die frequente optredens maakte, tv -commercials en uitdagende consumenten met de lijn uitdagen met de lijn: "Als je een betere auto vindt, koop het". In zijn laatste jaar aan het roer was Chrysler de enige Amerikaanse automaker die winst maakte.
Biografie - Geboren in Pennsylvania in 1924. De zoon van Italiaanse immigranten, Iacocca studeerde industriële engineering. In de jaren 80 werd hij door de Digest beschreven als "The Living Embodiment of the American Dream".

Leiderschapsstijl - Stoutmoedig en bereid om risico's te nemen. Iacocca was altijd klaar om radicale oplossingen te proberen. Als dat betekende dat het dictatoriaal zou overkomen, het zij zo. Hij was ook bereid om in de schijnwerpers te komen.
Belangrijke kracht: Creatief zijn als iedereen in paniek raakte.
Beste beslissing - De kracht hebben om de tegen de trots in van het bedrijf naar de Amerikaanse overheid te gaan om steun te vragen om faillissement te voorkomen.
Lessen in het bedrijfsleven: drastische actie ondernemen
Bereid om grote, gewaagde stappen te nemen was de sleutel tot het succes van Iacocca bij het redden van Chrysler. Zijn inzicht was er een die weinig mensen accepteren: in drastische situaties zullen soms alleen de meest drastische oplossingen er toedoen.
Als een belangrijke klant onrendabel is en geen slechtere voorwaarden accepteert, stop dan met zaken met hen te doen. Overweeg om uit minder winstgevende markten te trekken als u 80 procent van uw winst maakt van 20 procent van uw klanten. 
Verplaats snel een teamlid dat achterblijft; Het is zowel in hun belangen als die van het bedrijf.

Hij is een voorbeeld geworden voor managementland.

Maar nu terug naar zijn eigen verhaal. "Waarom ontsloeg Henri Ford me, en waar heeft dat voor mijn succes gezorgd?" Die twee vragen keren steeds weer terug schrijft hij in de inleiding. Hij hoopt ook dat hij de lezer kan inspireren met zijn verhaal, maar hij heeft het vooral geschreven om die vragen zelf proberen te beantwoorden en misschien ook zoals hij schrijft wraak op Henri Ford niet omdat hij hem ontslagen heeft, maar omdat hij in de tijd voor ontslag zijn vrouw en kinderen nodeloos hebben geleden in aanloop naar het ontslag, iets dat hij Ford kwalijk neemt. Een emotioneel verhaal dus! Dat begint met zijn laatste rit naar Dearborn (Ford hoofdkwartier)

Het verhaal over zijn familie begint met de gelijkenis van Christopher Columbus die uit hetzelfde Italië - in een iets andere tijd - de nieuwe wereld opzocht. Hij zoekt vergelijking met de groten der aarde. Hij en zijn vader waren grote vrienden en van zijn vader heeft hij het enthousiasme voor autovoertuigen overgehouden. Deze wilde altijd de nieuwste modellen testen, als eerste. Het was een onrustige man met veel verbeelding. Veel van zijn waarden kwamen als lessen van zijn vader, bijvoorbeeld dat hij wel moest ondernemen, maar in een business die weinig kapitaal nodig had, zoals voedsel waar ook nog eens altijd  vraag naar zou zijn, ook ten tijd e van een crisis. De familie zit nog steeds in dit soort business, met Yocco's als bekendste merk.
Tijdens zijn schooljaren stimuleerde zijn vader hem met Readers' Digest testen, en was hij enthousiast baseball fan, van Italiaanse spelers, met name Joe diMaggio. TEn opzichte van de universiteit - die een mens veel kan leren - ziet hij inzet als belangrijkere factor voor succes en kennisverwerving. Lee kon zich goed concentreren, maar had ook geluk. Typisch voor die tijd wilde de ouders dat hun kinderen gingen studeren iets wat voor hun zelf niet mogelijk was, en wat een betere toekomst zou openstellen.

Bij Ford komt hij in contact met iemand die het beste lijkt op een mentor: Charllie Beacham. die leert hem dat je nooit de schuld bij iemand anders moet leggen: heb je iets niet bereikt, dan is het je eigen fout. Zijn eerste les.
Hij leert zijn vrouw kennen bij het bedrijf, die als receptioniste werkte bij de montagefabriek, en in deze tijd komt hij ook in aanraking met andere professionals zoals die van treasury (Robert McNamara).
De sleutel voor goed management is teamwerk. Hij heeft een hekel aan de vedette of prima donna's [die termen komen uit de Spaanse vertaling: in het Engels is het beide prima donna.] of opgeblazen ego's.

Dan komt de weg naar de top. Hier schrijft hij over cultuur (en mimemis): bedrijven die elkaar in de gaten houden: Avis en Hertz (autohuur), Macy's en Gimbel (stores), en bij Ford was dat GM. Hier begint een verhaal over een andere belangrijke speler: Semon Knudsen (Bunkie).
Een hoofdstuk later begint het probleem in het paradijs (al). Hier begint hij zich ook negatiever te uiten over Ford: voor Henry waren alleen de uiterlijke verschijningsvormen van belang. Hoe iemand eruit zag was alles, en hij vertelt over een Homo (A Fag, Mariquita in het Spaans) die hij moest ontslaan, puur om zijn vrouwelijke uiterlijk. Henri was wantrouwend tegenover alles en iedereen en liet nooit een paper-trail achter. Ook vond Ford kleine automodellen niets: "kleine modellen, magere inkomsten"
En dan begint het verhaal over het RenCen, Renaissance Center, het hoofdkantoren centrum met wolkenkrabbers die Detroit uit het slob moet halen. Een begroting van een "paar miljoenen" die uitloopt door het honderdvoudige. En waaraan Ford "uiteindelijk nauwelijks bijdraagt." De naam Paul Bergmoser komt op. 1975 wordt een rampjaar. In 1977 wordt McKinsey ingehuurd [traditioneel in die wereld van die tijd - en in "managementland"] en opeens komt Phil Caldwell als nieuw voorkeursleider en ontstaat er frictie in een drieledig bestuur. Van de ene dag op de andere moet Lee verantwoordelijkheid afdragen aan Caldwell.
Legendarisch wordt inderdaad het ontslag, waar Lee Iacocca kort over schrijft, maar wat een langere periode behelst waarin de (flaboyante) stijl van Iacocca gewoon niet past bij die (zuinige?) van Ford. "Sometimes you just don't like somebody." Dat hun leiderschapsstijlen niet matchen bedekt Iacocca wat, maar valt wel te lezen in andere biografieën.
Dan komt de dag erna... En hierna begint het verhaal - de episode van - Chrysler, die Lee direct vraagt toe te treden...

... er is meer. mogelijk voor later.

-- structuur
  • Gemaakt in Amerika / Made in ...
    • de familie
    • schooljaren 
  • Het Ford-verhaal / avontuur
    • om mijn voeten nat te maken
    • de bonentellers
    • De sleutel tot management
    • de mustang
    • More!
    • de weg naar de top
    • problemen in het paradijs
    • 1975: het noodlottige jaar
    • de confrontatie
    • de dag erna
  • Het Chrysler -verhaal
    • versierd door Chrysler
    • aan boord van een zinkend schip
    • Bouw het team
    • op de dag dat de Shah de stad verliet
    • drastische maatregelen: naar de overheid gaan
    • moet Chrysler worden opgeslagen?
    • Chrysler gaat naar het Congres
    • gelijkheid van opoffering
    • de banken: proef door brand
    • de k-car-en een nauwe oproep
    • Public Man, Public Office
    • een bitterzoete overwinning
  • Straight Talk
    • hoe je levens onderweg kunt redden
    • de hoge arbeidskosten
    • de Japanse uitdaging
    • maakt Amerika weer geweldig
  • Epiloog: de grote dame

MAGA - making america great again

MAAK AMERIKA WEER GROOT 
Tegenwoordig heeft iedereen het over het nationale tekort. Maar omdat we Chrysler een paar jaar geleden bijna kwijt waren, had ik de twijfelachtige eer om me iets eerder dan de meeste mensen zorgen over dit probleem te gaan maken.  We werden gedood door de hoge rentetarieven, en het was duidelijk dat zolang de overheid meer dan 50 procent van de nationale kredieten zou opgebruiken, de rente nooit erg zou kunnen dalen. Dus in de zomer van 1982 schreef ik een stuk voor Newsweek waarin ik een eenvoudige manier voorstelde om het nationale tekort te halveren. 
Destijds bedroeg het tekort slechts – slechts! – 120 miljard dollar. 
Mijn plan hield in dat ik 30 miljard dollar bezuinigde op de overheidsuitgaven en tegelijkertijd nog eens 30 miljard dollar aan inkomsten binnenhaalde. 
Ik had uit de eerste hand al vernomen dat Chrysler alleen nog leefde dankzij de gezamenlijke inspanningen van het management, de arbeiders, de banken, de leveranciers en de overheid. 
En dus vroeg ik me af: waarom zou het principe van ‘gelijkheid van opoffering’ niet ook op het federale begrotingstekort kunnen worden toegepast? Mijn plan was eenvoudig. 
Eerst zou ik 5 procent per jaar bezuinigen op de defensiebegroting. 
Dat zou neerkomen op 15 miljard dollar, en dat zou kunnen gebeuren zonder ook maar één hardwareprogramma te beïnvloeden. 
Vervolgens schakelden we de Democraten in en zeiden tegen hen: “Oké jongens, ik wil dat jullie deze bezuiniging van vijftien miljard dollar matchen met een gelijke bezuiniging op de sociale programma’s die jullie de afgelopen veertig jaar hebben doorgevoerd.” Dan komt het moeilijkste deel. 
Zodra we 30 miljard dollar aan uitgaven hebben bezuinigd, matchen we het dollar voor dollar aan de inkomstenkant. 
Ten eerste halen we 15 miljard dollar op met een extra belasting op geïmporteerde olie, bedoeld om de OPEC te helpen hun olieprijzen op 34 dollar per vat te houden. 
Vervolgens voegen we een belasting van vijftien cent toe aan het gas aan de pomp, wat nog eens 15 miljard dollar oplevert. 
Zelfs met deze nieuwe belastingen zouden Amerikaans gas en olie nog steeds goedkoper zijn dan waar dan ook buiten de Arabische wereld. 
En naast al die inkomsten zouden we eindelijk een energiebeleid creëren. 
De volgende keer dat de OPEC zou toeslaan, zouden we er klaar voor zijn. 
Alles bij elkaar zouden deze ‘vier 15’s’ het tekort met 60 miljard dollar per jaar terugdringen. 
Het mooie van dit programma is dat het de offers gelijkelijk verdeelt onder al onze mensen – Republikeinen en Democraten, zowel het bedrijfsleven als de arbeidersbeweging. 
Toen ik met dit plan op de proppen kwam, ging ik naar elke CEO die ik kende op Wall Street en vroeg hen: “Wat zou er gebeuren als de president op tv zou komen en aankondigde dat hij het federale begrotingstekort zou halveren?” Ze waren het er allemaal over eens dat deze aankondiging de grootste investeringsgolf in onze geschiedenis zou veroorzaken. 
Het zou onze geloofwaardigheid als land herstellen. 
Het zou bewijzen dat we wisten wat we deden. 
Onnodig te zeggen dat we het niet hebben gedaan. 
Maar het is niet zo dat niemand luisterde. 
Duizenden Newsweek-lezers schreven me om te vertellen dat ze mijn plan leuk vonden. 
Ik kreeg zelfs een telefoontje van het Witte Huis met het verzoek om naar de president te komen. 
Toen ik het Oval Office binnenliep, begroette president Reagan mij met het Newsweek-artikel in zijn hand. 
‘Lee,’ zei hij, ‘ik vind het leuk wat je hier hebt geschreven. 
En ik maak me ook zorgen over de omvang van het tekort. 
Maar Richard Wirthlin, mijn opiniepeiler, vertelt me dat een benzinebelasting het meest impopulaire is dat ik kan doen.” ‘Wacht even,’ dacht ik. 
"Leren we dit land aan de hand van de peilingen? Is dat waar leiderschap om draait?" De president wilde het hebben over de defensiebegroting. 
‘We hebben te weinig uitgegeven onder Carter,’ vertelde hij me. 
‘We moeten veel meer uitgeven voor onze nationale veiligheid. 
Je begrijpt het hele plaatje niet.” ‘Dat is waar,’ antwoordde ik. 
“Ik begrijp het allemaal niet. 
En ik wil niet aanmatigend zijn. 
Maar het defensiebudget bedraagt nu ruim 300 miljard dollar. 
Ik ben een zakenman. 
Geloof me, ik kan overal 5 procent van afsnijden en je zult nooit weten dat ik het heb gedaan. 
Eigenlijk doe ik dat al mijn hele leven.” Welnu, we hebben het tekort in augustus 1982 niet teruggedrongen. 
En nu is het uitgegroeid tot meer dan $200 miljard. 
Terwijl ik deze woorden in het voorjaar van 1984 schrijf, worstelen we nog steeds met onze handen over wat we moeten doen. 
Helaas is het begrotingstekort slechts het topje van de ijsberg. 
Als iemand eraan twijfelt dat we iets van onze economische grootsheid hebben verloren, laten we dan eens kijken naar de volgende vragen: waarom heeft het land dat Walter Chrysler, Alfred Sloan en de oorspronkelijke Henry Ford voortbracht zoveel moeite met het concurrerend maken en verkopen van auto's? Waarom heeft het land van Andrew Carnegie zoveel moeite om te concurreren op het gebied van staal? Waarom moet het land van Thomas Edison de meeste van zijn grammofoons, radio's, televisietoestellen, videorecorders en andere vormen van consumentenelektronica importeren? Waarom heeft het land van John D. 
Rockefeller heeft olieproblemen? Waarom moet het land van Eli Whitney zoveel werktuigmachines importeren? Waarom wordt het land van Robert Fulton en de gebroeders Wright geconfronteerd met zulke hevige concurrentie op het gebied van transportmiddelen? Wat is er geworden van de industriële machine die ooit de afgunst en de hoop van de rest van de wereld was? Hoe zijn we er in minder dan veertig jaar in geslaagd om te ontmantelen?het “arsenaal van de democratie” verlaten en eindigen met een economie die op zoveel cruciale gebieden slap is? Ons verlies van leiderschap is niet van de ene op de andere dag tot stand gekomen. 
De geleidelijke erosie van onze kracht en macht begon in de gouden jaren na de Tweede Wereldoorlog. 
Maar in geen enkele periode van onze geschiedenis heeft Amerika meer kwetsbaarheid getoond dan in het afgelopen decennium. 
Ten eerste werden we op een ochtend wakker en ontdekten dat iets dat OPEC heette de macht had om Amerika op de knieën te krijgen. 
Net als Pavlov, die aan de bel trok om de gewenste resultaten te bereiken, luidde de OPEC de bel en wij reageerden. 
En nu, meer dan tien jaar later, hebben we nog steeds geen echt programma om op dit monumentale economische gevaar te reageren. 
Ten tweede kijken we in naam van de vrijhandel toe hoe Japan systematisch onze industriële en technologische basis verovert. 
Door de vaardigheden en efficiëntie van hun cultuur te combineren met een hele reeks oneerlijke economische voordelen, lijkt Japan in staat onze markten ongestraft te plunderen. 
In Washington staat dit bekend als laissez-faire-economie, en ze zijn er dol op. 
In Tokio noemen ze het Veni, Vidi, Vici-economie, en geloof me, ze zijn er nog meer dol op. 
De Japanners zijn gekomen, ze hebben gezien en ze zijn aan het veroveren. 
En onze afhankelijkheid van Japan zal blijven groeien totdat we een aantal praktische grenzen stellen aan hun plezier in onze markten. 
Ten derde heeft de Sovjet-Unie ons gevangen in de algehele nucleaire capaciteit. 
Amerika heeft niet langer een beslissende militaire voorsprong. 
We hebben nu een programma gedefinieerd om die voorsprong terug te winnen, maar de dominantie van de nationale agenda is zo totaal dat ik me begin af te vragen wat al deze nieuwe wapens gaan beschermen. 
Zonder een sterke, vitale industriële infrastructuur zijn we een natie vol raketten die een land van lege fabrieken, werkloze arbeiders en vervallen steden omringen. 
Waar zit de wijsheid in dit beleid? Ten slotte verloor Amerika op een bepaald moment in ons recente verleden zijn ware bron van macht en grootsheid uit het oog. 
Van een natie waarvan de kracht altijd voortvloeide uit investeringen in de productie en consumptie van goederen, zijn we op de een of andere manier veranderd in een natie die gecharmeerd is van investeringen in papier. 
En dus steken onze grootste bedrijven enorme sommen geld in het opkopen van aandelen van andere bedrijven. 
Waar komt al dat kapitaal terecht? In nieuwe fabrieken? In nieuwe productieapparatuur? Op het gebied van productinnovatie? Een deel ervan is dat wel, maar niet heel veel. 
Het grootste deel van dat geld komt terecht bij banken en andere financiële instellingen die het omdraaien en uitlenen aan landen als Polen, Mexico en Argentinië. 
Dat helpt Amerika niet veel. 
Maar toen deze landen failliet gingen en de banken 'wolf' riepen, bereikten ze tenminste wat Chrysler, International Harvester en de huizensector nooit hadden kunnen doen: ze overtuigden de Federal Reserve ervan zich terug te trekken uit het krappe geld. 
Elke maand wordt er een nieuw soort financieel instrument gecreëerd met het uitdrukkelijke doel de koopkracht van de consument te absorberen en de makelaarskantoren te verrijken. 
Terugkijkend op deze periode van diepe korting dit en nulcoupon dat, kan ik niet anders dan denken dat nog nooit eerder in de geschiedenis zoveel kapitaal zo weinig van blijvende waarde heeft geproduceerd. 
Op dit moment bevinden onze grootste industriële werkgevers zich in de auto-, staal-, elektronica-, vliegtuig- en textielsector. 
Als we miljoenen banen willen redden, moeten we deze industrieën behouden. 
Zij zijn degenen die markten creëren voor zowel de dienstensector als voor hoogwaardige technologie. 
Ze zijn ook van cruciaal belang voor ons nationaal belang. 
Kunnen we echt de ruggengraat van ons defensiesysteem behouden zonder sterke staal-, gereedschapswerktuig- en auto-industrie? Zonder een sterke industriële basis kunnen we onze nationale veiligheid vaarwel zeggen. 
We kunnen ook afscheid nemen van het merendeel van onze banen met een hoge toegevoegde waarde. 
Haal de industriële banen van $10 tot $15 per uur in Amerika weg en je ondermijnt onze hele economie. 
Oeps, daar gaat de middenklasse! We moeten dus een aantal fundamentele beslissingen nemen. 
Als we niet snel handelen, zullen we tegen het jaar 2000 zowel staal als auto's aan Japan kwijtraken. 
En het ergste van alles is dat we ze zonder slag of stoot zullen hebben opgegeven. Sommige mensen lijken te denken dat deze nederlaag onvermijdelijk is. 
Ze zijn van mening dat we het proces zelfs moeten bespoedigen door onze industriële basis op te geven en ons in plaats daarvan te concentreren op hoogwaardige technologie. 
Nu betwist ik geen moment het belang van hoogwaardige technologie in de industriële toekomst van Amerika. 
Maar hightech alleen zal ons niet redden. 
Het is belangrijk voor onze economie, juist omdat zoveel andere segmenten van de Amerikaanse industrie haar klanten zijn. 
Vooral de auto-industrie. 
Wij zijn degenen die alle robots gebruiken. 
Wij beschikken over meer computerondersteunde ontwerp- en productiefaciliteiten dan wie dan ook. 
We gebruiken computers om het brandstofverbruik te verlagen, de uitstoot te verminderen en precisie en kwaliteit te krijgen in de manier waarop we onze auto's bouwen. 
Niet veel mensen weten dat IBM’s drie grootste klanten (exclusief defensie) dat zijnGM, Ford en Chrysler. 
Er kan geen Silicon Valley zijn zonder Detroit. 
Als iemand siliciumchips produceert, moet iemand anders ze gebruiken. 
En dat doen we ook. 
Er is nu minstens één computer aan boord van elke auto die we bouwen. 
Sommige van onze meer exotische modellen hebben er maar liefst vijf! Je kunt je siliciumchips niet in een bruine papieren zak in de bouwmarkt verkopen. 
Ze moeten een nut hebben. 
En de basisindustrieën van Amerika zijn de gebruikers. 
Sluit ons en u sluit uw markt. 
Sluit auto's en je sluit staal en rubber – en dan ben je ongeveer een op de zeven banen in dit land kwijtgeraakt. 
Waar zou dat ons achterlaten? We zouden een land hebben van mensen die hamburgers aan elkaar serveren en siliciumchips aan de rest van de wereld. 
Begrijp me niet verkeerd: hoogwaardige technologie is van cruciaal belang voor onze economische toekomst. 
Maar hoe belangrijk het ook is, hightech zal nooit zoveel mensen tewerkstellen als onze basisindustrieën vandaag de dag. 
Dat is een les die we hadden moeten leren uit de teloorgang van de textielindustrie. 
Tussen 1957 en 1975 werden in New England 674.000 textielarbeiders ontslagen. 
Maar ondanks de bloeiende hightechindustrieën in de regio vonden slechts 18.000 van deze werknemers – ongeveer 3 procent – ​​werk in de computerindustrie. 
Bijna vijf keer zoveel mensen kwamen terecht in banen in de detailhandel en de dienstverlening met lagere lonen. 
Met andere woorden: als je je baan zou verliezen in een textielfabriek in Massachusetts, had je vijf keer zoveel kans om bij K-Mart of McDonald’s te gaan werken dan bij Digital Equipment of Wang. 
Je kunt gewoon niet een veertigjarige pijpfitter uit Detroit, Pittsburgh of Newark nemen, hem een ​​witte jas aantrekken en van hem verwachten dat hij computers in Silicon Valley programmeert. 
Het antwoord is dus niet het bevorderen van hoogwaardige technologie ten koste van onze basisindustrieën. 
Het antwoord is om ze allebei samen te promoten. 
Er is ruimte voor ons allemaal in de hoorn des overvloeds, maar we hebben een gezamenlijke nationale inspanning nodig om dit mogelijk te maken. 
Met andere woorden: ons land heeft een rationeel industriebeleid nodig. 
Tegenwoordig is ‘industriebeleid’ een beladen term. 
Het is alsof je “vuur!” roept. in een druk theater. 
Veel mensen raken in paniek als ze deze zin horen. 
Willen ze niet dat Amerika sterk en gezond is? Natuurlijk doen ze dat. 
Maar ze willen dat het gebeurt zonder enige planning. 
Ze willen dat Amerika per ongeluk groot wordt. 
De ideologen beweren dat het industriebeleid het einde zou betekenen van het systeem van vrije ondernemingen zoals wij dat kennen. 
Welnu, ons prachtige vrije-ondernemingssysteem kent nu een tekort van 200 miljard dollar, een uit de hand gelopen uitgavenprogramma en een handelstekort van 100 miljard dollar. 
De simpele waarheid is dat de markt niet altijd efficiënt is. 
We leven in een complexe wereld. 
Zo nu en dan moet de pomp worden gevuld. 
In tegenstelling tot sommige mensen die over het industriebeleid praten, bedoel ik niet dat de regering winnaars en verliezers moet kiezen. 
De overheid heeft keer op keer bewezen dat ze niet slim genoeg is om dat te doen. 
En ik wil niet dat de overheid zich bemoeit met de activiteiten van mijn bedrijf – of welk ander bedrijf dan ook. 
Geloof me, de bestaande regelgeving is al erg genoeg. 
Zoals ik het zie, betekent industriebeleid het herstructureren en revitaliseren van onze zogenaamde zonsondergangindustrieën – de oudere industrieën die in moeilijkheden verkeren. 
De overheid moet actiever worden in het helpen van de Amerikaanse industrie om de uitdaging van buitenlandse concurrentie en een veranderende wereld het hoofd te bieden. 
Bijna iedereen bewondert de Japanners, met hun heldere visie op de toekomst; de samenwerking tussen hun regering, banken en arbeid; en de manier waarop zij leiding geven vanuit hun sterke punten. 
Maar telkens wanneer iemand suggereert dat we hun voorbeeld moeten volgen, verschuift het beeld plotseling naar de Sovjets en hun vijfjarenplannen. 
Maar overheidsplanning hoeft niet socialisme te betekenen. 
Het enige dat het betekent is een spelplan hebben, een doelstelling. 
Het betekent dat alle onderdelen van het economisch beleid moeten worden gecoördineerd in plaats van dat het stukje bij beetje in donkere kamers wordt geplaatst door mensen die alleen hun eigen gevestigde belangen op het oog hebben. Is planning on-Amerikaans? Bij Chrysler doen we veel aan planning. 
Dat geldt ook voor elk ander succesvol bedrijf. 
Voetbalteams plannen. 
Universiteiten plannen. 
Vakbonden plannen. 
Banken plannen. 
Regeringen over de hele wereld maken plannen, behalve de onze. 
We zullen geen vooruitgang boeken totdat we het belachelijke idee opgeven dat elke planning op nationaal niveau een aanval op het kapitalistische systeem betekent. 
Vanwege deze angst zijn we het enige geavanceerde land ter wereld zonder industriebeleid. 
Eigenlijk is dat niet helemaal waar. 
Amerika heeft al een industriebeleid, en dat is slecht. 
Niemand die Washington kent kan beweren dat de regering op de een of andere manier het vrije ondernemerschap zou schenden als ze de Amerikaanse industrie zou helpen. 
Washington is subsidiestad! En elke subsidie ​​draagt ​​bij aan een industriebeleid. 
Laten we beginnen met federale leninggaranties. 
(Ik ben een expert op dit gebied.) Chrysler was niet de eerste. 
Voordat wij kwamen, was er een garantie van $409 miljardd leningen. 
Nu loopt het cijfer op tot 500 miljard dollar en het stijgt nog steeds. 
Dat is industriebeleid. 
Dan is er verdediging. 
Eisenhower waarschuwde ons hiervoor toen hij sprak over het militair-industriële complex. 
Dat complex zorgt ervoor dat we meer dan 300 miljard dollar per jaar uitgeven. 
Het is de enige beschermde industrie die we nog hebben in dit land. 
Het is de enige sector waar Japanners volgens de wet niet mogen concurreren. 
Dat is de reden waarom toen we bij Chrysler onze tankdivisie aan General Dynamics verkochten, veel mensen vroegen: "Waarom verkoop je de autobranche niet en behoud je de tanks? De tanks leveren je $60 miljoen per jaar op, gegarandeerd en beschermd!" Dan zijn er NASA en het ruimteprogramma. 
Dat is ook industriebeleid. 
Het maanschot heeft onze computerindustrie in een hogere versnelling gebracht. 
Of hoe zit het met het Internationale Monetaire Fonds? Het helpt landen uit het buitenland die boven hun stand hebben geleend en de betalingen niet kunnen volhouden. 
Nog niet zo lang geleden gaf Paul Volcker Mexico nog eens 1 miljard dollar om zijn krediet intact te houden en een aantal grote VS te ontlasten. 
banken die hen het geld in de eerste plaats hebben geleend. 
Volcker verstrekte zijn lening van de ene op de andere dag, zonder hoorzitting. 
Maar om 1,2 miljard dollar te krijgen om Chrysler – een Amerikaans bedrijf – te redden, moesten we het Congres wekenlang vastbinden. 
Wat voor soort industriebeleid is dat? In het verleden hebben de V.S. 
De overheid heeft Polen leningen verstrekt tegen 8 procent, terwijl wij Poolse Amerikanen vragen huizen te kopen tegen 14 procent. 
Als de Democraten daar geen winst uit kunnen halen, verdienen ze het om te verliezen. 
En hoe zit het met het belastingbeleid? De auto-industrie betaalt in totaal 50 procent van haar inkomen aan belastingen. 
De banksector betaalt slechts 2 procent. 
Dat is een andere vorm van industriebeleid. 
We hebben dus wel degelijk een industriebeleid – of beter gezegd, honderden industriebeleidslijnen. 
Het enige probleem is dat ze overal aanwezig zijn en weinig of niets doen voor onze basisindustrieën. 
Is industriebeleid een radicaal nieuw idee? Helemaal niet. 
We hadden al een industriebeleid in Amerika voordat we een natie hadden. 
In 1643 verleende Massachusetts een nieuwe smelterij eenentwintig jaar lang exclusieve ijzerproductierechten om deze zich ontwikkelende industrie aan te moedigen. 
Meer recentelijk, in de negentiende eeuw, omvatte ons industriebeleid uitgebreide overheidssteun voor onze spoorwegen, het Eriekanaal en zelfs onze universiteiten. 
In de twintigste eeuw hebben we overheidssteun gezien voor onze snelwegen, voor synthetisch rubber, moderne vliegreizen, de moonshot, geïntegreerde-circuitindustrieën, hoogwaardige technologie en nog veel meer. 
De afgelopen decennia hebben we een fenomenaal succesvol industriebeleid gehad – in de landbouw. 
Drie procent van onze bevolking voedt niet alleen de rest van ons, maar ook een groot deel van de rest van de wereld. 
Dat is productiviteit! Hoe gebeurde dat? Nou, er is hier meer aan de hand dan een goed klimaat, een rijke bodem en hardwerkende boeren. 
Vijftig jaar geleden hadden we al die dingen, en het enige wat we kregen waren stofbakken en rampen. 
Het verschil ligt in een breed scala aan door de overheid gesponsorde projecten. 
Er zijn federale onderzoekssubsidies; provinciale agenten om mensen op te leiden; staatsproefboerderijen; elektrificatie- en irrigatieprojecten op het platteland, zoals de TVA; oogstverzekering; exportkredieten; prijs ondersteunt; areaalcontroles; en nu Betaling in natura, waarbij boeren worden betaald om bepaalde gewassen niet te verbouwen. 
Dat programma alleen al bedraagt ​​nu ruim 20 miljard dollar per jaar. 
Met al die overheidshulp (of, zoals sommigen zeggen, inmenging) hebben we een wonder gecreëerd. 
Ons landbouwindustriebeleid heeft ons tot afgunst van de wereld gemaakt. 
Als we nu een agrarisch-industrieel beleid en een militair-industrieel beleid hebben, waarom kunnen we dan in godsnaam geen industrieel-industrieel beleid hebben? Ik vermoed dat mijn houding tegenover een industriebeleid dezelfde is als die van Abraham Lincoln toen iemand hem vertelde dat Ulysses S. 
Grant werd veel dronken. 
Lincoln zei: ‘Zoek uit wat voor soort whisky hij drinkt en stuur het naar mijn andere generaals.’ Hier is mijn zespuntenprogramma dat de basis zou kunnen vormen voor een nieuw industriebeleid. 
Ten eerste moeten we tegen 1990 zorgen voor energie-onafhankelijkheid door buitenlandse energie te belasten, zowel aan de haven als aan de pomp, om zo de besparingsethiek te herstellen en investeringen in alternatieve energiebronnen nieuw leven in te blazen. 
We mogen ons niet laten wiegen door de huidige depressieve vraag. 
De OPEC zal altijd in haar eigen belang handelen, en dat belang zal altijd het beste gediend zijn met hoge prijzen en krappe voorraden. 
Het Amerikaanse volk is bereid een prijs te betalen voor energie-onafhankelijkheid. 
Ze weten dat dit niet kan worden bereikt zonder een offer. 
Ten tweede moeten we specifieke grenzen stellen aan het Japanse marktaandeel voor bepaalde cruciale industrieën. 
We moeten voor deze industrieën de economische noodtoestand afkondigen en gedurende deze periode eenzijdig de restrictieve GATT-bepalingen terzijde schuiven. 
We hoeven ons niet te verontschuldigen voor deze op gezond verstand gebaseerde benadering van de handel met Japan. 
Op dit punt in onze geschiedeniskunnen we ons geen handelspartner veroorloven die aandringt op het recht om te verkopen, maar weigert te kopen. 
Ten derde moeten we als natie de realiteit onder ogen zien wat betreft de kosten en financieringsmechanismen voor federale rechtenprogramma’s. 
Ze bestuderen dit in Washington tot het uiterste omdat het een politieke hete aardappel is. 
Maar het antwoord heeft altijd vlak voor onze neus gelegen: we kunnen niet meer blijven uitbetalen dan we binnenkrijgen, en dat zal een aantal zeer pijnlijke aanpassingen met zich meebrengen. 
Ten vierde heeft Amerika meer ingenieurs, wetenschappers en technici nodig. 
Per hoofd van de bevolking studeert Japan ongeveer vier keer zoveel ingenieurs af als wij. 
(Maar we studeren vijftien keer zoveel advocaten af!) Er moeten beurzen en leningen voor speciaal onderwijs worden verstrekt voor hoogtechnologische studierichtingen. 
De Sovjets en de Japanners zijn allebei toegewijd aan het opbouwen van hun technologische competentie – en wij houden het niet bij. 
Ten vijfde hebben we nieuwe prikkels nodig om de onderzoeks- en ontwikkelingsinspanningen in de particuliere sector te vergroten en de modernisering en productiviteit van fabrieken in cruciale industrieën te versnellen. 
Eén benadering is het aanbieden van investeringsbelastingkredieten voor R&D en afschrijvingen over twaalf maanden voor productiviteitsgerelateerde investeringen. 
Ten slotte moeten we een langetermijnprogramma opzetten voor het herstel van de handelsaders van Amerika – onze wegen, bruggen, spoorwegen en watersystemen. 
Onze infrastructuur, die essentieel is voor elke versterking en uitbreiding van onze industriële macht, verslechtert in een alarmerend tempo. 
Er moet iets gedaan worden. 
Een dergelijk programma zou gedeeltelijk gefinancierd kunnen worden door de energiebelasting van de OPEC. 
Het zou ook een belangrijke buffer vormen tegen de toekomstige ontwrichting van de werkgelegenheid die onvermijdelijk het gevolg zal zijn van productiviteitswinsten en industriële automatisering. 
Om al deze programma’s in de praktijk te brengen zouden we een Critical Industries Commission moeten oprichten – een forum waar overheid, arbeid en management samen kunnen komen om een uitweg te vinden uit de puinhoop waarin we ons bevinden. 
We moeten leren met elkaar te praten voordat we gezamenlijk actie kunnen ondernemen. 
Deze tripartiete coalitie zou specifieke maatregelen aanbevelen om onze vitale industrieën te versterken en hun concurrentievermogen op de internationale markten te herstellen en te vergroten. 
Laat ik duidelijk maken dat ik niet een socialezekerheidsstelsel voorstel voor elk bedrijf dat in de problemen komt. 
We hebben een programma nodig dat alleen van start gaat als Amerikaanse bedrijven in moeilijkheden hebben ingestemd met gelijke opofferingen voor management, werknemers, leveranciers en financiers. 
Het werkte voor Chrysler, en het kan ook voor de rest van Amerika werken. 
Wanneer een industrie of een bedrijf hulp komt zoeken, zoals ik vijf jaar geleden in Washington deed, zou de commissie namens de belastingbetalers, die het risico gaan nemen, moeten vragen: “Wat levert het ons op?” Wat levert het de mensen op? Met andere woorden: “Wat brengen het management en de arbeidersbeweging voor de partij?” Ik heb dit meegemaakt en het is eenvoudig. 
Het is het management dat ermee instemt iets te doen voordat de overheid ook maar iets doet – zoals leninggaranties, of importbeperkingen, of belastingkredieten voor investeringen, of hulp bij onderzoek en ontwikkeling. 
Het management zou er wellicht mee moeten instemmen zijn winsten te investeren in banenscheppende investeringen – in dit land. 
Het zou wellicht moeten instemmen met een winstdeling met zijn werknemers. 
Misschien moet het land er zelfs mee instemmen de prijzen onder controle te houden. 
Wat de vakbonden betreft, zij zouden uit de donkere middeleeuwen moeten komen. 
Ze zouden moeten instemmen met veranderingen in de vele werkregels die de productiviteit belemmeren – zoals het hebben van 114 functieclassificaties in assemblagefabrieken, waar er ongeveer zes prima zouden werken. 
Ze zouden misschien zelfs moeten instemmen met beperkingen op de op hol geslagen medische kosten die nu in ons systeem zijn ingebouwd. 
Als noch het management, noch de arbeidersklasse offers gaat brengen, is de bijeenkomst voorbij. 
Je kunt niet verwachten dat je hulp van de overheid krijgt als je niet bereid bent je eigen huis op orde te krijgen. 
Met andere woorden: er is geen gratis lunch. 
Wie hulp aanvraagt, zal moeten begrijpen dat er verplichtingen aan verbonden zijn. 
Als dit allemaal een beetje klinkt als een Marshallplan voor Amerika, dan is dat precies wat het is. 
Als Amerika West-Europa na de Tweede Wereldoorlog zou kunnen herbouwen, als we het Internationale Monetaire Fonds en een tiental internationale ontwikkelingsbanken zouden kunnen oprichten om de wereld te helpen herbouwen, zouden we vandaag ons eigen land moeten kunnen herbouwen. 
Als de Wereldbank – een instelling die winst maakt – met succes onderontwikkelde landen kan helpen, waarom zou een nieuwe nationale ontwikkelingsbank het dan niet net zo goed kunnen doen bij het helpen van in moeilijkheden verkerende Amerikaanse industrieën? Misschien hebben we een Amerikaans Monetair Fonds nodig. 
Wat is er zo verschrikkelijk aan een nationale ontwikkelingsbank van 5 miljard dollar om onze basisindustrieën weer concurrerend te maken? Begin 1984 vroeg de Kissinger-commissie 8 miljard dollar voor de economische ontwikkeling van Midden-Amerika. 
Ik dacht altijd dat Midden-Amerika plaatsen als Michigan, Ohio en Indiana betekende. 
(Het laat zien hoe simpel ik ben!) Hoe zit het met ons Midden-Amerika? Hoe kunnen we 8 miljard dollar uitgeven aan versterking?dan de economieën van andere landen, terwijl we de noodlijdende industrieën in onze eigen achtertuin verwaarlozen? Sommige mensen zeggen dat een industriebeleid niets anders is dan citroensocialisme. 
Als dat zo is, neem ik een krat vol, want tenzij we snel handelen, zal ons industriële hartgebied veranderen in een industriële woestenij. 
Elk realistisch industriebeleid voor Amerika zal een monetair en fiscaal beleid moeten omvatten. 
We kunnen geen stabiele, gezonde economie hebben met hoge rentetarieven – of met rentetarieven die elke tien minuten fluctueren. 
Hoge rentetarieven zijn door de mens veroorzaakte rampen. 
En wat de mens maakt, kan de mens ongedaan maken. 
Ik kijk terug op 6 oktober 1979, als een dag van schande in dit land. 
Dat is het moment waarop Paul Volcker en de Federal Reserve Board de prime rate lieten zweven. 
Toen zeiden de monetaristen: “De enige manier om de inflatie te doorbreken is door de geldhoeveelheid te controleren – en dan maar met de rentetarieven.” Zoals we allemaal op de harde manier hebben geleerd, veroorzaakte dat besluit een vloedgolf van economische vernietiging. 
Er moet een betere manier zijn om de inflatie onder controle te houden dan deze te doorbreken over de ruggen van de arbeiders in de auto- en woningbouw. 
Wanneer toekomstige historici terugkijken op onze manier om de inflatie te genezen en alle pijn die deze remedie veroorzaakte, zullen ze dit waarschijnlijk vergelijken met aderlatingen in de Middeleeuwen! Detroit werd als eerste getroffen. 
We leden aan de langste autoverkoopdaling in vijftig jaar. 
De woningbouw kwam daarna. 
Daarna werd bijna iedereen in het land getroffen. 
Voordat de prime rate losbarstte, was de rente slechts één keer in onze hele geschiedenis zo hoog als 12 procent gestegen, en dat was tijdens de burgeroorlog. 
Maar nu ze eenmaal de 12 procent bereikten, bleven ze doorgaan. 
Op een gegeven moment bereikten ze zelfs 22 procent. 
Dat is gelegaliseerde woeker. 
Sommige staten hebben wetten die 25 procent bedragen, wat duidt op criminele bedoelingen. 
De maffia noemt het krachtdadig. 
Maar hoe zwaar de rente van 20 procent ook is, nog erger is het jojo-effect. 
Van 6 oktober 1979 tot oktober 1982 gingen de tarieven zesentachtig keer omhoog (of omlaag), wat neerkomt op eens in de 13,8 dagen. 
Hoe kun je daar iets op plannen? Wanneer de rente hoog is, besteden consumenten veel geld aan kortetermijnobligaties. 
Maar geld verdienen met geld is niet productief. 
Het creëert geen banen. 
En degenen onder ons die wel banen creëren, die investeren in productiviteit, willen uitbreiden en bereid zijn ons eerlijke deel van de belastingen te betalen, komen uiteindelijk stroomafwaarts terecht in afwachting van een paar magere druppels krediet om er doorheen te komen, zodat we nog een paar mensen weer aan het werk kunnen krijgen. 
Hoge rentetarieven moedigen de grote jongens aan om hun nieuwe spel te spelen: geld verdienen met geld. 
Als geld duur is, zijn investeringen in onderzoek en ontwikkeling riskant. 
Als de rente hoog is, is het goedkoper om een ​​bedrijf te kopen dan om er een op te bouwen. 
Van de tien grootste bedrijfsfusies in de VS 
In de geschiedenis van de geschiedenis hebben er negen plaatsgevonden tijdens de regering-Reagan. 
Een van de grootste betrokken Amerikaanse 
Staal. 
Hoewel beschermd door triggerprijzen (die ons $100 meer per auto kosten om Amerikaans staal te kopen), kunnen de V.S. 
Steel betaalde 4,3 miljard dollar om Marathon Oil te kopen. 
Het grootste deel van dat geld werd geleend. 
Het had moeten worden gebruikt om moderne basiszuurstofovens en continugietmachines te kopen om met de Japanners te concurreren. 
Toen de staalarbeiders zagen wat er aan de hand was, waren ze zo boos dat ze eisten dat alle loonconcessies die ze deden, weer in de staalindustrie terecht zouden komen. 
Het is bijna ongelooflijk dat het Amerikaanse management door de arbeiders moet worden voorgelezen over hoe ons systeem werkt. 
Of hoe zit het met het feit dat DuPont Conoco voor 7,5 miljard dollar overneemt, en daarbij zijn schulden verdrievoudigt tot 4 miljard dollar? Het kost DuPont 600 miljoen dollar per jaar aan rente alleen al om die schuld af te lossen. 
Zouden we niet allemaal beter af zijn als DuPont dat geld zou gebruiken om het soort nieuwe en inventieve producten te ontwikkelen die hen wereldberoemd hebben gemaakt? En hoe zit het met Bendix, United Technologies en Martin Marietta die 5,6 miljard dollar lenen om hun bedrijfskannibalisme te financieren – zonder daarbij ook maar één nieuwe baan te creëren? Dat circus met drie ringen eindigde pas toen Allied er een tent overheen gooide en een einde maakte aan de hele zaak. 
Denk hier eens over na: in de tien jaar tussen 1972 en 1982 is het totale aantal werknemers in de 5 grootste industriële bedrijven van Amerika feitelijk afgenomen.  Alle nieuwe banen – ruim tien miljoen – kwamen uit twee andere bronnen. Eén ervan was een klein bedrijf. 
De andere, het spijt me dat te moeten zeggen, was de overheid – wat misschien wel de enige echte groei-industrie is die nog over is. 
Waarom nemen we geen wet aan die zegt dat als je geld leent om iemand anders te kopen en hem te kannibaliseren, de rentebetalingen op die leningen niet aftrekbaar zijn? Dat zou de excessen vrij snel uit het systeem halen. 
Als je op dit moment een concurrent wilt opkopen, is dat over het algemeen niet mogelijk. 
Dat zou in strijd zijn met de antitrustwetten. 
Maar als je een bedrijf wilt kopen dat iets heel anders doet, is dat prima. 
Wat is de zin daarvan? Waarom zou een man die in de staal-business heeft gezeten plotseling een olieman worden? Het is een compleet andere wereld. 
Het zal hem jaren kosten om dit te leren kennen. 
En het allerbelangrijkste: het is niet productief. 
Als we de rente zouden verlagen en een einde zouden maken aan deze fusiewaanzin, zouden we de geldwisselaars uit de tempel van de nationale economie kunnen halen. 
We zouden weer op de Amerikaanse manier zaken kunnen doen, door te herinvesteren en te concurreren in plaats van elkaar op te kopen. 
En door meer banen te creëren, zodat meer mensen kunnen deelnemen aan onze economische groei. 
De sociale lasten voor lokale, provinciale en federale overheden zouden dalen. 
Het kapitaal zou zich beginnen te accumuleren. 
Planten zouden weer uitzetten. 
Zoals iedereen weet is de manier om de rente te verlagen het doorvoeren van grote bezuinigingen op het federale begrotingstekort. 
Het wordt tijd dat iemand de betaalpas van de overheid wegneemt. 
Tegenwoordig gebruikt Washington meer dan de helft van al het beschikbare krediet (54 procent om precies te zijn) om de staatsschuld te financieren. 
Ondanks alle campagnebeloften van president Reagan is de staatsschuld uit de hand gelopen. 
In 1835 bedroeg de federale schuld slechts 38.000 dollar. 
In 1981 brak het voor het eerst in de geschiedenis 100 miljard dollar. 
Tegenwoordig gaat het om ongeveer $200 miljard. 
En naar verwachting zal dit de komende vijf jaar in totaal meer dan $1 biljoen bedragen! We hebben al een keer eerder zo’n groot tekort gehad – in de periode van 1776 tot en met 1981. 
Denk er eens over na. 
Het kostte ons 206 jaar, met acht oorlogen, twee grote depressies, een tiental recessies, twee ruimtevaartprogramma's, de opening van het Westen en de voorwaarden van negenendertig presidenten om dat te doen. 
Nu gaan we dat record in slechts vijf jaar dupliceren, terwijl we in vrede leven – en tijdens een zogenaamd economisch herstel. 
Om het anders te zeggen: er zijn eenenzestig miljoen gezinnen in dit land en we gaan ze allemaal zonder hun toestemming voor 3.000 dollar per jaar in de steek laten. 
Het is alsof Uncle Sam je creditcard gebruikt zonder te vragen. 
Als gevolg hiervan verhypothekeren we de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. 
Omdat de meesten van hen nog niet kunnen stemmen, hebben ze ons hun volmacht gegeven. 
En we gebruiken het niet zo goed. 
Volgens mij krijgen de jongens in Washington – allemaal – een 10 op de begroting. 
We moeten het begrotingstekort en onze andere economische problemen aanpakken voordat ze ons volledig overweldigen. 
Om grote problemen op te lossen moet je natuurlijk bereid zijn impopulaire dingen te doen. 
Als kind van de Grote Depressie ben ik altijd een grote fan geweest van F.D.R. 
Hij heeft veel voor dit land gedaan, ook al bestreden de ideologen hem bij elke stap. 
Hij heeft de pot gesmolten. 
Hij omvatte de uitgeslotenen. 
Hij had het lef om mensen van de straathoeken waar ze appels verkochten te halen en aan het werk te zetten. 
Bovenal was hij pragmatisch. 
Toen hij met grote problemen werd geconfronteerd, deed hij iets – en daar is altijd meer moed voor nodig dan niets doen. 
Roosevelt heeft de problemen van de depressie niet aangepakt met diagrammen en grafieken, met Laffer-curven of met theorieën van de Harvard Business School. 
Hij ondernam concrete actie. 
Hij was altijd bereid iets nieuws te proberen. 
En als dat niet werkte, was hij bereid iets anders te proberen. 
We hebben vandaag wat meer van die geest nodig in Washington. 
Onze problemen zijn enorm en ingewikkeld. 
Maar er zijn oplossingen. 
Ze zijn niet altijd gemakkelijk en niet altijd comfortabel. 
Maar ze bestaan ​​wel. 
De grote problemen waarmee we vandaag de dag worden geconfronteerd, zijn geen Republikeinse kwesties of Democratische kwesties. 
De politieke partijen kunnen over de middelen debatteren, maar beide partijen moeten het einddoel omarmen, namelijk Amerika weer groot maken. 
Kunnen wij slagen in deze onderneming? Iemand heeft ooit gezegd dat er in grote ondernemingen zelfs in mislukkingen glorie schuilt. 
We moeten het dus proberen, en als we dat doen, geloof ik dat we het zullen redden. 
We zijn tenslotte een vindingrijk volk in een land dat gezegend is met overvloed. 
Met leiding, leiderschap en de steun van het Amerikaanse volk kunnen we niet missen. 
Ik ben ervan overtuigd dat dit land opnieuw dat stralende symbool van macht en vrijheid kan zijn – door niemand uitgedaagd en door iedereen benijd (Iacocca, an autobiography with William Novak, 1984). 

 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Het grootste bordeel van Europa

Typisch Spaans: Balay

Wat doet een Chief Economist - Officer?