Aantekeningen over Wittgenstein (2)

...

Ontzettend veel gebieden van het leven kunnen worden bestreken door woorden. Er zijn enorm veel taal werelden en in ieder van die werelden is de betekenis van een woord anders. Het eenvoudige woordje 'jij kent een hemelsbreed verschil in betekenis, naar gelang het als liefkozing of als dreigement wordt gebruikt. De levensvormen, waarbinnen de woorden steeds een andere betekenis krijgen. Noemt Wittgenstein taalspelen. Het zijn als het ware brengen, waarbinnen anders wordt gesproken. W. komt met de volgende voorbeelden Bevelen, en naar bevelen handelen - beschrijven van een voorwerp waar aanzien of aan de hand van metingen - het reproduceren van een voorwerp uitgaande van een beschrijving (tekening) - berichten over een toedracht - naar aanleiding toedracht vermoedens opstellen - een hypothese van een 

opstellen en toetsen, het uitzetten van het verloop van een experiment op tabellen en diagrammen - een geschiedenis beleven en erover Lezen, toneelspelen, volksdansen - raadsels oplossen - een mop vertellen toegepaste wiskundesommen vertalen in een andere taal vragen, bedanken, oplossen vloeken, groeten, verzoeken. 

De filosofie heeft tot taak ervoor te zorgen, dat het denken uit de valstrikken van de taal blijft. De redding uit de afschuwelijke wirwar van de filosofische problemen, zoals die in de traditie is ontstaan, kan alleen worden gevonden via de doorlichting en de catalogisering van de taalspelen. Het zijn slechts luchtkastelen, die wij omverwerpen, en we leggen zo de taalfundamenten bloot waarop zij stonden.' De Filosofie is dus niet de uiteenzetting van achteraf bezien toch onoplosbare problemen; in 'werkelijkheid is zij zuiver descriptief, een beschrijving namelijk van het gebruik van woorden. Iedere uitleg is uit den boze, alleen beschrijving moet ervoor in de plaats komen. Uiteindelijk [zijn] streven erop gericht dat de filosofische problemen volledig moeten verdwijnen. Daarmee heelt de traditionele filosofie afgedaan. Bij Wittgenstein begint haar ondergang. 

Afbeeldingstheorie 

Wittgenstein kwam oorspronkelijk tot zijn afbeeldingstheorie op een wat merkwaardige wijze. Hij had kennelijk een soort "Aha-Erlebnis in de loopgraven in de eerste wereldoorlog. Hij las toen in de krant, hoe bij een rechtszaak bepaalde beweringen geïllustreerd werden door bepaalde figuren, die bepaalde personen en dingen in de werkelijkheid representeerde. Het ging hier om een verkeersongeluk. Een bepaalde tabaksdoos stelde de ene auto, een doos met lucifers de andere auto voor, enz. W. ging nu een licht op. Naar zijn zijn mening doen wij in de taal Niets anders dan met bepaalde woorden naar bepaalde delen van de werkelijkheid verwijzen, terwijl dan elke uitspraak, die naar een stuk werkelijkheid verwijst, deze op de een of andere manier afbeeldt. Nu is de zaak natuurlijk ingewikkelder dan wij het hier in zo'n paar woorden beschrijven. Hoe beeldt een zin als 

  • De man zit al rokend op een stoel, de werkelijkheid af?

 Dat doet die zin ook niet zonder meer. Eerst als die zin is geanalyseerd, kan hij de werkelijkheid afbeelden. Daarbij zweefde Wittgenstein als ideaal in de Tractatus - periode voor ogen, dat de geanalyseerde zinnen in een Logische kunsttaal moesten worden weergegeven. Wij zullen in onze weergave van het technische gebruik van tekens van de symbolische Logica afzien en daardoor een wat vereenvoudigde uiteenzetting geven. Wittgenstein heeft trouwens Nooit gepretendeerd, dat hij praktisch met zijn programma in de Tractatus is geslaagd. Het ging hem or slechts om de principiële mogelijk tot zo'n analyse te hebben gegeven. Hij meende daardoor het theoretische bewijs van de afbeeldingsfunctie van de taal te hebben gegeven. Nemen wij nog zo'n zin als' De man zit al rokend op zijn stoel' dan bemerken wij bij analyse, dat de zin uit twee zinnen is samengesteld: 

  • De man zit op de stoel en 
  • de man rookt. 

Het woordje en verwijst Nu naar Niets in de werkelijkheid. Het verbindt Slechts twee zinnen, die naar twee feiten in de werkelijkheid verwijzen. Wittgenstein spreekt over deze soort woorden wel als van Logische constanten of logische connectieven .(Wittgenstein heeft in de logica origineel werk gedaan door waarheidstafels op te stellen). Op de manier, waarop uitspraken met deze logische connectieven honden worden geverifieerd, hoe ook de betekenis van deze connectieven worden vastgesteld. Het zou te technisch worden, wanneer wij hierop uitvoeriger ingingen, maar het mag duidelijk zijn, dat Wittgenstein ook hier zijn stelling heelt waargemaakt, dat de betekenis van een uitspraak afhangt van de wijze van verificatie. 

Analyse 

Keren wij terug tot onze zinnen: "De man zit op een stoel" / "De man rookt!" De woorden de man verwijzen naar een Concreet bedoelde persoon. De woorden 'een stoel' verwijzen naar een concreet voorwerp. De woorden 'zit op' duiden een bepaalde relatie aan, die ook zichtbaar waarneembaar is. In de logische kunsttaal die Wittgenstein voor ogen zweefde het was de taal van de Principia Mathematica Van Whitehead en Russel worden de voorzetsels bij het relatiewerkwoord getrokken. 'Zitten op' is een ander werkwoord dan 'zitten bij of zitten naast. Het woord "rookt" in die andere zin is woord van een ander karakter. Het beeldt niet direct af, maar verwijst naar een heleboel handelingen: het uitblazen van de rook, het trekken aan een sigaret, enz. 

De zin 'De man rookt' moet dus weer verder geanalyseerd worden. Het is een conjunctie van een hele reeks zinnen. Onder conjunctie wordt hier verstaan, een verzameling zinnen door het logische connectief 'en' verbonden. Na analyse zou de zin 'De man rookt' dus kunnen luiden: "De man trekt aan een sigaret" en "'De man blaast rook uit," enz. Deze zinnen zijn weer samengesteld uit woorden, die naar concrete dingen verwijzen en relatie werkwoorden, die betrekking hebben op concrete handelingen. Wittgenstein is dus niet van mening, dat de concrete woorden een afspiegeling zijn van de werkelijkheid. Het is volgens (onbewuste) afspraak, dat wij het voorwerp waarop wij zitten een stoel noemen. Het is de structuur van de zin die overeenkomt met de structuur van de werkelijkheid en hierin bestaat de afspiegeling. De Wittgensteinse taaltheorie verschilt dus hemelsbreed van die van bijvoorbeeld Heidegger, waarbij etymologieën van de woorden centraal staan. Verwant is ook het verschil in Logische theorie. Terwijl bij Aristoteles en Hegel - met overigens een groot verschil tussen die twee het woord uitgangspunt van de logica is, nemen de moderne logici hun uitgangspunt in de gehele zin, waarbij zij overigens de stoïcijnen al als voorlopers hadden. Het spreekt overigens vanzelf dat Wittgensteins' analyse een zuiver theoretisch doel had. De analyse wordt bij betrekkelijk eenvoudige zinnen als: Ard Schenk is wereldkampioen schaatsrijden al zeer ingewikkeld, vooral als wij de analyse volledig willen doorvoeren. 

Zinloos en onzin. 

Maar in principe is dit mogelijk en zijn theorie stelde Wittgenstein in staat een fundamenteel onderscheid te maken tussen die zinnen, die althans in principe empirisch waarneembaar en dus te verifieren en die zinnen waarbij dat niet het geval was. Tot de laatste categorie behoren zinnen als: 

  • De zonsondergang is mooi. Heb uw naaste lief, God is de schepper der wereld, enz. 

Dit zijn zinnen met een esthetische, ethische of godsdienstige inhoud. Maar ook zinnen als "2+5=7" zijn Niet empirisch te verifiëren. Hun geldigheid hangt in ieder geval niet van de empirische verificatie af. Hiertoe behoren de zinnen uit de wiskunde, de Logica, de rekenhunde, enz. Maar ook behoren alle zinnen wijsbegeerte van de Tractatus ertoe! Wittgenstein noemde nu alle zinnen die niet empirisch konden worden geverifieerd zinloos. Bij dit woord zinloos moeten wij oppassen. Wittgenstein maakt een nadrukkelijk onderscheid tussen zinloos en nonsense. Zinloos betekent uitsluitend. Niet verwijzend Naar de empirische werkelijkheid. 'ZIN' betekent bij Wittgenstein hier richting naar (de empirische werkelijkheid!! De door hem als ' zinloos' betitelde zinnen hebben dus geen richting. geen verwijzing naar de empirische werkelijkheid. Wij zagen echter, dat hiermee ook de Tractatus zinloos wordt. Wittgenstein schrok voor deze consequentie niet terug. Hij eindigt zijn boek dan ook aldus: Mijn uitspraken vervullen hun ophelderende functie daardoor, dat zij voor diegene die mij begrijpt tot slot als onzinnig worden erkend, als hij door middel van en via deze uitspraken erboven uit gestegen is (Hij moet zo te zeggen de ladder wegwerpen, Nadat hij naar boven geklommen is). hij moet deze uitspraken te boven komen dan ziet hij de wereld goed. En dan volgt de beroemde slotzin, Waarover men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen. Overigens moet men deze laatste uitspraak, niet misverstaan. Er staat in het Duits: Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen. Er staat niet: ..... darüber soll man schweigen. Er wordt ons geen gebod voorgehouden van: 'houd je mond over alle zaken van ethisch, godsdienst, wijsbegeerte, enz! Er wordt iets geconstateerd. Hoe wij ook spreken en wat wij ook ор andere gebieden beweren, wij zeggen niets, dat wil zeggen onze uitspraken verwijzen niet naar een empirisch te verifiëren werkelijkheid en een andere wijze dan de empirie om onze uitspraken te verifiëren bestaat er volgens Wittgenstein Niet. Maar al zeggen wij dan toch Niets in onze ethische, godsdienstige, wijsgerige, kunstzinnige, etc. taal, in deze taal wordt wel iets getoond. Wittgensteins maakt Namelijk een volgens hem fundamenteel onderscheid tussen dat wat gezegd kan worden (het geheel van de empirisch verifieerbare uitspraken) en dat wat getoond kan worden (het mystische, dat zich toont in het geheel van de structuur- van de taal). Dit mystieke kan niet worden afgebeeld. Het toont zich echter. Bij mystisch moet men bij Wittgenstein niet alleen denken aan iets wat met God te maken heeft. Ook de grondslagen van de logica, de logische structuur der wereld, enz. hebben met dit 'mystieke' te maken. 

Wittgenstein was geen religieuze figuur. Ofschoon hij in de Rooms-Katholieke kerk gedoopt was, had hij met deze kerk geen enkele band, evenmin als trouwens met enige andere kerk. Toch sprak hij Nooit met minachting over het christelijke geloof. Voor de godsdienstige tendenties in de mens nam hij naar zijn zeggen de hoed af. Over de godsdienst zei hij: Is het spreken wezenlijk voor de godsdienst? Ik kan mij heel goed een godsdienst voorstellen, waarin geen leerstellingen voorkomen, waarin dus niet wordt gesproken. Het wezen van de godsdienst kan blijkbaar niet ervan afhangen dat er wordt gesproken, of veeleer: als er gesproken wordt, dan is dat spreken een onderdeel van de godsdienstige handeling en is het geen theorie. Het komt er dus ook helemaal niet op aan, of deze woorden waar of onjuist of onzinnig zijn, zelf geen religieuze persoonlijkheid had [hij] toch een mogelijkheid tot religie.' 

Taal en taalspel. 

De afbeeldingstheorie van de taal nu heeft de latere Wittgenstein opgegeven. Hij gaat er dan vanuit dat een uitspraak om zinvol te zijn, passen moet in een bepaald taalspel. Wittgenstein zegt hiermede Niet dat elke uitspraak nu wel Zinvol is. Hij moet voldoen aan bepaalde criteria en eerst dan is hij zinvol binnen een bepaald taalspel. Zo is de uitspraak Schiermonnikoog  is een heerlijk vakantieoord' in het taalspel van de natuurkunde een zinloze uitspraak, maar niet in een taalspel van de vakantiegenoegens. Dit alles heeft Natuurlijk tot gevolg gehad, dat Wittgenstein zijn scherpe uitspraken over de zinloosheid van zijn eigen Filosofie, enz. heeft ingetrokken. Hij is er nu vooral op uit om door analyse erachter te komen, wat mensen bedoelen wanneer zij bepaalde dingen zeggen. hij gaat daarbij uit van de gewone omgangstaal, die ons echter dikwijls misleidt en daarom geanalyseerd moet worden. Vele van de door Wittgenstein geïnaugureerde methoden worden nu in de taalwetenschap, zij het ook dikwijls in de verbeterde vorm, algemeen gebruikt. 

Hieronder volgt een impressie van de door Wittgenstein gebruikte methoden. In de wijsbegeerte wordt dikwijls gemeend, dat weten een bewustzijnsakte is. Wittgenstein meent dat deze foutieve mening een gevolg is van de misleiding van de taal. De volgende twee ZINNEN hebben namelijk een Namelijk een gelijke grammaticale structuur, maar zijn geheel verschillend: 

  • (1) Ik weet, dat Assen de hoofdstad van Drente is. (2) In denk eraan, dat Assen de hoofdstad van Drente is. 

Beide zinnen lijken sprekend op elkaar en wij zijn geneigd te menen, dat zowel weten als 'denken aan bewustzijnshandelingen zijn. Dat dit niet het geval is. Kunnen wij aantonen door zogenaamde transformaties op de zinnen toe te passen. Wij kunnen door bijvoorbeeld zinnen van het actief in het passief om te zetten om te zetten zien dat de grammaticale parallellie slechts schijnbaar is. In het onderhavige geval kunnen wij hierachter komen door een tijdsbepaling toe te voegen. Dan wordt Namelijk de eerste zin zinloos, maar de tweede zin Niet: 

(3) Gedurende twee minuten weet ik dat Assen de hoofdstad van Drente is. 

(4) Gedurende twee minuten denk ik eraan (= denk ik aan het feit dat Assen de hoofdstad van Drente is. Je kunt wel twee minuten aan iets denken, maar niet twee minuten iets weten. Dat komt omdat "denken aan" een werkwoord is, dat een bewustzijnsakte weergeeft, en 'weten' een wat men tegenwoordig noemt dispositie-werkwoord is. Wittgenstein draagt in zijn latere werken geen klare theorieën voor, maar geeft verhaaltjes, stelt vragen die elkaar nog voortdurend tegenspreken. Uit het geheel komen dan wel enkele suggesties naar boven, maar het is niet erg duidelijk, wat hij ermee bedoelt. Men moet door zelf meedenken erachter komen. ... Iets van plan zijn is voor Wittgenstein geen bewustzijnsakte-, zoals denken dat wel is... "Liefde is geen gevoel." Liefde wordt beproefd,  pijn niet. Men zegt niet: "dat was geen echte pijn," anders was hij niet zo snel verdwenen.Ik gevoel liefde / ik gevoel pijn. Door hier taalkundig mee te opereren bewijst men het verschil...

Wittgensteins levensvorm. 

Wittgensteins eerste boek 'Tractatus Logico-philosophicus' eindigt met de woorden: Waarvan men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen. Het boek telt vijfenzeventig pagina's.... In de  daarop volgende tijd. heeft Wittgenstein Inderdaad een jaar of acht gezwegen en hoewel hij op duur van sommige meningen uit zijn eerste boek teruggekomen is, ligt het er toch eerder of de 'Philosophische Untersuchungen Niet gewijd zijn aan wat gezegd worden, maar aan wat niet-worden-gezegd; aan wat wel gezegd wordt, maar waarvan het op zijn minst twijfelachtig is of het zin heeft het te zeggen. 

Wat is taal? Het zijn woorden die gebruikt worden in taalspelen. (daarmee bedoelt hij niet de gewone grammatica-syntaxis.) Anders dan de spelen die met wiskundige of logische symbolen worden gespeeld, of met nauw-omschreven wetenschappelijke termen, zijn de spelen in de omgangstaal van korte duur, omdat de spelregels ervan voortdurend veranderen. Maar: 'De onzegbare verscheidenheid van alle alledaagse taalspelen komt niet tot bewustzijn, omdat de kleren van onze taalspelen alles gelijk maken. Bij het woord 'spel' denken wij, behalve aan een vorm van gedrag die onderworpen is aan bepaalde afspraken, winst en verlies. Bij een filosoof als Wittgenstein, die uitgaat vans de vraag wat het verschil is tussen ook aan 'waar' en onwaar, kunnen esthetica en ethica Niet worden gescheiden. Kwalificaties als 'waar' en 'onwaar' hebben op andere gebieden weinig betekenis. Stellingen, beweringen, kunnen hetzij zinledig, hetzij waar, hetzij onwaar zijn. Stellingen zijn alleen waar of onwaar voor zover zij met andere stellingen verbindbaar zijn. Iets 'hogers' uitdrukken, kunnen zij Nooit. De verzameling van alle ware stellingen vormt het totaal van de natuurwetenschappen, maar de filosofie is een bezigheid. De zin van de wereld, en onder de wereld verstaat hij alles wat het geval is, alles wat is en alles wat gebeurt zoals het gebeurt, moet buiten de wereld Liggen, want als zij in de wereld lag, zou zij geen zin meer zijn.

Het enige waar wij over kunnen praten en denken is goed en fout, in de betekenis waarin een som goed is of De enige noodzakelijkheid die bestaat en bestaan moet om een spel mogelijk te maken, is de logische noodzakelijkheid, te weten dat iets niet tegelijk bevestiging en ontkenning kan zijn. De enige onmogelijkheid is de logische onmogelijkheid. Alles wat niet logisch is, dat wil zeggen niet in een spel past, is daarom voor Wittgenstein onuitsprekelijk, Niet denkbaar. Of zulke onlogische dingen dan wel Niet bestaan is een zinledige vraag. uitmaken welk taalgebruik zinnig is ON welk Niet, daarvoor bepaalde regels op te stellen, is in de loop der eeuwen herhaaldelijk geprobeerd, maar zodra men niet met een Kunstmatige wetenschappelijke taal te maken heeft, wordt dit probleem zeer moeilijk. Wie verwacht dat de 'Philosophische Untersuchungen hiervoor een soort handleiding vormen, vergist zich. Het voornaamste dat Wittgenstein doet, aan bestaan  aan de hand van een grote hoeveelheid voorbeelden, van een niet klaarblijkelijke onzin tot een klaarblijkelijke overgaan! Taalspel, taalspelen, zijn bij Wittgenstein termen die alleen betrekking hebben op de taal als zodanig op de logische vorming van de taal: Niet op de spelers.

Men denkt, schrijft Wittgenstein, dat het leren van de taal bestaat uit het geven van Namen aan voorwerpen. en wel: mensen, vormen, kleuren, pijnen, stemmingen, getallen, etc. Zoals gezegd - het Noemen is iets dergelijks als een Naam- plaatje aan een ding hangen. Men kan dit een voorbereiding tot het gebruik van een woord noemen. Maar waarop is het een voorbereiding? 

We geven de dingen namen en kunnen zo over ze praten. Alsof met de handeling van het naamgeven, dat wat we verder doen al gegeven was. Alsof er maar één ding dat bestond dat heet: over dingen praten! Terwijl wij toch de meest uiteenlopende dingen met onze volzinnen doen. Denken wij alleen maar aan de uitroepen. Met hun geheel verschillende functies. 

Water! Weg! Au! Help! Mooi! Nee!

Ben je nu nog geneigd deze woorden benamingen van voorwerpen te noemen ?  

Op een andere plaats constateert hij: men kan zich gemakkelijk een taal voorstellen, die alleen uit bevelen en meldingen in de slag bestaat - Of een taal die alleen uit vragen bestaat en een uitdrukking voor bevestiging en ontkenning en zich een taal voorstellen betekent zich een levensvorm voorstellen. 

Als zich een taal voorstellen betekent zich een levensvorm voorstellen, rijst de vraag welke taal Wittgenstein zich op den duur voorstelde, dat wil zeggen welke levens- vorm in de Philosophische Untersuchungen is belichaamd. Het is een taal die voor het grootste deel uit vragen bestaat en het eigenaardige van deze vragen is hun simpelheid. Het zijn vragen schijnbaar zo onnozel, dat zij nooit worden gesteld, of waarop, als zij gesteld worden, het antwoord moeilijk gevonden worden. Maar zelf als je er een antwoord op vindt - en dat lijkt soms bijzonder gemakkelijk- wekt dit antwoord niet de indruk afdoend te zijn. 

Wittgenstein zelf heelt zo goed als nooit een antwoord op deze vragen en wanneer hij toch een antwoord geeft, wordt het niet als een afdoend antwoord gepresenteerd, is het eerder een suggestie. Als ook dit inherent is aan zijn levensvorm, is deze er een van vragen waarop hij het antwoord schuldig blijft. Trouwens, ook wat een vraag is, blijft onbeslist. 

'Wat is een vraag? - Is het de constatering dat in wens, dat de ander mij zal zeggen....? 

In 'Remarks on the foundations of Mathematics' had hij al opgemerkt : Het verschaft mij geen moeilijkheden het fysisch foute aan te nemen en ad absurdum te voeren. Maar hoe moet in het zo te zeggen ondenkbare denken? Het ondenkbare denken, bezigheid waar hij in 'Tractatus' voorgoed van afgezien scheen te hebben, is ongetwijfeld een verleiding voor hem gebleven. In de Tractatus-tijd was hij ervan overtuigd de meeste problemen opgelost te hebben. dat wil zeggen of opgelost, of aangetoond te hebben dat ze zinledig waren. Toch schreef hij in het voorwoord van dit boek : 'Als in mij hierin niet vergis, dan bestaat de waarheid van dit werk ook nog daarin, dat het aantoont hoe weinig ermee gedaan is dat deze problemen opgelost zijn. 

De opgeloste problemen worden bij de latere Wittgenstein voortdurend vervangen door nieuwe onopgeloste problemen, problemen die ogenschijnlijk honderdmaal eenvoudiger zijn dan de schijnproblemen van de klassieke filosofie. 

Waarom kan mijn rechterhand mijn linkerhand geen geld geven?' Wat is het verschil tussen Niet rekenen en fout rekenen? Of: Is er een grens tussen de tijd niet meter en hem fout meten? Tussen geen tijdmelding geven en een verkeerde?' Wie van de ene dag op de andere belooft Morgen zal in je een bezoek brengen zegt die elke dag hetzelfde; of iedere dag wat anders?' 

Zou men zich kunnen voorstellen dat een steen bewustzijn zou hebben? en als iemand het kan waarom zou dat niet alleen bewijzen dat deze voorstellerij voor ons geen belang heeft ?' Als een Leeuw kon spreken, wij zouden hem niet kunnen verstaan. 

Een hond kan niet huichelen, maar hij kan ook niet oprecht zijn. 

Wij zeggen, de hond is bang dat zijn baas hem zal slaan, maar niet: dat zijn baas hem morgen zal slaan. Waarom Niet ? 

'Maakt alles wat ons niet opvalt, de indruk van onopvallendheid? Maakt het gewone op ons altijd de indruk van gewoonheid ?' 

'Stel je voor, je voert een telefoongesprek met iemand en zegt hem: Deze tafel is te hoog. waarbij je met een vinger naar de tafel wijst. Welke rol speelt het wijzen hier? in zeggen: ik bedoel de desbetreffende tafel, terwijl je op hem wijs? Waar toe dient dit wijzen en waartoe deze woorden en wat hen nog meer begeleiden moge? 

Het hele plan stond mij eensklaps voor de geest. En bleef zo vijf minuten staan. 

Waarom klinkt dat vreemd? Je kunnen zeggen: wat oplichtte en wat staan bleef, zou niet hetzelfde kunnen zijn. Dit is dan een van de schaarse gevallen waarin op de vraag een antwoord volgt, maar het is een uiterst beknopt antwoord. Je hebt de Neiging het aan te vullen, te bedenken dat 'plan' van alles en nog wat voorstellen. 

Soortgelijk commentaar wordt uitgelokt door: 

Hij voelde een seconde lang heftige pijn! - Waarom klinkt vreemd : hij voelde een seconde lang diepe droefenis? 

Alleen omdat dit zo zelden voorkomt?" 

Zeker, maar toch och omdat verdriet Niet zo willekeurig kan worden opgewekt als pijn. Verdriet is in hoge make onvoorspelbaar. Het is bovendien gemakkelijker te verheimelijken dan pijn. En tenslotte: waaruit bestaat verdriet eigenlijk? uit onaangename lichamelijke sensaties of ook, uit een kettingreactie van droevige gedachten die door de geest trekken, zoals Wittgensteins vragen die een ketting reactie van, vragen teweegbrengen? 

Slotvraag: klinkt: Hij voelde een seconde Lang diepe droefenis eigenlijk wel zo vreemd? In geen geval is deze volzin wat vreemdheid aangaat bijvoorbeeld te vergelijken met de beroemde paradox van Moore: Het regent, maar in geloof het niet. 

In 1914 schreef Wittgenstein een opmerking in zijn dagboek, die aantoont dat de basis van de Philosophische Untersuchungen al aan het begin van zijn Filosofische werkzaamheden heeft bestaan: 

Een stelling als 'deze stoel is bruin' schijnt iets enorm ingewikkelds te zeggen, want als we deze zin inkleden dat niemand er - wegens de vele uitleggingen waarvoor hij vatbaar is - tegenwerpingen tegen zou kunnen maken zou hij eindeloos lang moeten worden! 

Nog eerder, in 1913, had hij in een brief aan Bertrand Russel geschreven: wat ik bedoel is dat wij alleen dan een zin verstaan, als wij twee dingen weten: wat het geval zou zijn als hij onwaar is en wat het geval zou zijn, als hij waar is. 

Deze mening houdt in dat voortdurend vragen aantoonbaar wordt. Maar behalve dit sorterende vragen, waarbij dus beweringen aan vragen worden blootgesteld, is het ook mogelijk dat de beweringen al onmiddellijk in de vorm van een vraag worden gegoten. 

Wij zouden zeer goed ook elke bewering in de vorm van een vraag met daarop volgende bevestiging kunnen schrijven; bijvoorbeeld: 'Regent het?"Ja! Zou dat aantonen laat in elke bewering een vraag steekt? ' 

Alles, wat "teken, woord, zin," noemen, bedoelt hij, kan op ontelbare manieren worden gebruikt. Nieuwe typen taal ontstaan, Nieuwe taalspelen en anderen verouderen en worden vergeten. Vragen kunnen worden opgevat als beweringen. Bevelen kunnen de  de vorm hebben van vragen, maar ook van toekomst-voorspellingen ('Dat zul je doen!").  Wij zouden ons een taal kunnen denken, waarin alle beweringen de vorm en de toon van retorische vragen hadden; of ieder bevel de vorm van een vraag: willen doen?" Men zal dan misschien zeggen: 

wat hij zegt heeft de vorm van een vraag, maar is in werkelijkheid een bevel - dat wil zeggen heeft de functie van een bevel in de praktijk van de taal. Evenzo zegt men: 'Dat zul je doen: Niel als een voorspelling maar als een bevel. Wat maakt het tot het een, wat tot het ander?" 

Ja, wat ? en trouwens, wat is een vraag? 

Wie de menigvuldigheid van de taalspelen niet beseft, die zal de neiging hebben tot vragen als deze 'Wat is een vraag? Is het de constatering dat in wens dat de ander mij zegt.... Of is het de beschrijving van mijn ongeruste zielstoestand? En is de uitroep: 'Help!' zo'n beschrijving? 

Denk eraan hoeveel verschillende dingen beschrijvingen genoemd worden: beschrijving van de plaats van een lichaam "door zijn coördinaten; beschrijving van een gezichtsuitdrukking, beschrijving van een tastindruk van een stemming.' 

Wittgenstein antwoordt niet, maar belicht aspecten. Het vinden van Nieuwe informatie is niet het doel van zijn. filosofie, hij wil de problemen oplossen door dat, wat bekend is, anders te rangschikken.

'Het is eerder voor ons onderzoek van belang dat we er Niets Nieuws mee leren. Wij willen iets verstaan dat al open Voor onze ogen ligt. Want dat schijnen we op de een of andere manier Niet te verstaan." 

Tegen Malcolm zei hij eens: Filosofische verwarring bevangen is. lijkt op een man die een kamer wil verlaten, maar niet weet hoe. Hij probeert het raam, maar het is te hoog. Hij probeert de schoorsteen,maar die is te nauw. En als hij zich alleen maar omkeerde, zou hij zien dat de deur de hele tijd opengestaan heeft.

De anekdote doet aan Kafka denken. Wittgenstein en Kafka zijn allebei gevangenen in kamer waarvan de deuren voortdurend wijd open staan, alleen Kafka keert zich niet om.  Kafka mocht zich niet omkeren, maar Wittgenstein keerde zich meestal ook Niet om.

Philosophische Untersuchungen houdt zich voortdurend bezig met het vergeefs proberen van ramen die te hoog, Schoorstenen die te Nauw zijn, en de open deur leidt hoogstens tot de volgende conclusie : 

Om een taal te verkrijgen die alles uitdrukken of zeggen kan wat überhaupt gezegd worden, moet iedere taal bepaalde eigenschappen hebben: en als dat het geval is, kan noch in deze, noch in welke andere taal dan ook, gezegd worden dat zij ze heeft! 

Op een andere plaats vergelijkt hij de filosoof met iemand, die elke dag bij het thuiskomen zich afvraagt of er achter zijn huisdeur geen afgrond gaapt. Onophoudelijk openen zich afgronden in de taal, blijkt de taal die wij gebruiken zinledig te zijn geweest, of is de taal dubbelzinnig. W. vertelt een anekdote: Een kind verbaasde zich toen iemand het vertelde, dat een kleermaker een jas kan naaien. Het kind dacht dat de kleermaker de jas draad voor draad aan elkaar moest naaien. 

Het Niet begrepen gebruik van een woord wordt als uitdrukking van een vreemd proces uitgelegd. (Zoals men zich de tijd als een vreemdsoortig medium, de ziel als een vreemdsoortig wezen denkt). 

Die Deutungen allein bestimmen die Bedeutung Nicht" De soms stilzwijgend aangenomen, maar dikwijls ook en een uitgesproken, algemeen geaccepteerd veronderstelde overtuiging dat woorden een betekenis en een uitlegging hebben, dat zij (stapje verder) een betekenis en een ware betekenis bezitten, is het recept waarmee filosofen, theologen, essayisten, enz. bibliotheken volgeschreven hebben. Voor de ware betekenis- en van woorden hebben miljoenen hun Leven gelaten op de Slagvelden, want de 'ware betekenis van het woord brengt, zo wordt het voorgesteld, een Natuurwet aan het licht of een geheime boodschap van god. 

Woorden zijn als fiches waarmee 'taalspelen worden gespeeld, precies zoals met op zichzelf vrij willekeurige symbolen wiskundige spelen gespeeld kunnen worden. Taalspellen. geen woordspelingen. 

Talloze Filosofen en essayisten erkennen misschien, dat met kaarten kaartspelen kunnen worden gespeeld en dat er bovendien kaarthuisjes van kunnen worden gebouwd, maar zij verdoezelen het onderscheid tussen die twee bezigheden. Maar het onderscheid is dat wanneer met kaarten gekaart wordt, een buitenstaander zal zeggen of er goed of slecht wordt gekaart, kan aanwijzen wie wint en wie verliest, terwijl als in een kaartenhuis bouw, de zin hiervan buiten alle kaartspelen ligt. 

Op dezelfde wijze worden ook van woorden kaartenhuisjes gebouwd. Maar er kan ook  echt mee worden gespeeld. Die Deutungen allein bestimmen de Bedeutung nicht.

Dit willen negen van de tien filosofen ons doen geloven. Betekenen, zeggen zij, is betekenen, dat is: tekens ergens op aanbrengen. Er is geen enkel bezwaar het woord betekenis in tweeën te knippen. Het is evenmin enig bezwaar het in een bepaald verband te gebruiken met de betekenis ergens tekens op aanbrengen. 

Maar de meeste denkers van deze soort doen hiervan hond op een dreigende toon, zij zouden kwaad worden als wij zeiden Ons van die betekenis niets aan te trekken. 

Hoe ondergaan wij overigens de betekenis van het woord? Wittgenstein maakt de volgende vergelijking! 

Van een willekeurig schriftteken - dit bijvoorbeeld  (psi) kan in mij voorstellen dat het een volkomen correct geschreven letter uit een vreemd alfabet is. Of misschien een gebrekkig geschreven letter: en wel gebrekkig op een of andere manier-: bijvoorbeeld slordig, of typisch-kinderlijk onhandig, of met burokratische krullen. Het zou op diverse manieren van de correct geschreven letter kunnen afwijken. - en al naar gelang van de fabel waarmee ik het omgeef, in het onder verschillende aspecten ziеn. En hier bestaat een enge verwantschap met het beleven van de betekenis van een woord. 

Ondertussen is de ware betekenis van het schriftteken geen andere dan die er in de desbetreffende taal aan wordt gehecht. Of het tekens oorspronkelijk uit het hunnenschrift afkomstig zou zijn, of uit het Chinees... Maar wat de woorden betreft, denken de metafysici er anders over. 

De mening dat bij ieder woord een definitie behoort, die het 'wezen' onthult van datgene wat met het woord aangeduid wordt, komt al voor bij voor bij Aristoteles. De opvatting is verouderd en onvruchtbaar: een woord heeft de betekenis die wij eraan hecht en binnen een bepaald taalgebruik ( algemeen taalgebruik, wetenschappelijk taal- gebruik, enz.), en dat is alles. 

Logica is een soort grammatica, meer Niet, een grammatica die soms wel en soms Niet met de taalkundige grammatica samengaat. De logische grammatica bepaalt of een Volzin iets betekent dan wel zinloos is. De Natuur bevat op zichzelf geen logica, maar als wij de Natuur beschrijven willen, moeten wij dit logisch doen, op straffe van het helemaal niet te doen. 

In de ogen van godsdienstige denkers heelt god in de schepping een geheime boodschap verborgen ('God heeft een plan met deze wereld!). Op dezelfde manier menen atheïsten soms dat 'de Natuur' of 'de Natuurwetter' waardebepalend zouden kunnen zijn. 

Tractatos Logico - philosophicus nog wel een betoog genoemd worden, beter : het karkas van een betoog. Het is een verzameling aforismen, waartussen de verwantschap met het decimalen systeem is vastgelegd. Maar als het een betoog zou mogen heten, dan toch strikt voor gevorderden. Didactische overgangen komen er Niet in voor. 

In nog veel mindere mate is 'Philosophische Untersuchungen en Leerboek. Maar een aforismen verzameling, een reeks losse opmerkingen over allerlei onderwerpen zoals: de kosmos het leven, de dood, de waarheid, de natuur, de mens, de vrouw, de geschiedenis, de moraal, enz. is het ook niet. Het kan nog het best een verzameling demonstraties genoemd worden, demonstraties van de permanente machteloosheid waarin mensen die proberen iets zinnigs tegen elkaar te zeggen, zich bevinden. Demonstraties van het feit dat er buiten de wiskunde, de symbolische Logica, de Natuurwetenschappen e.d. er geen Spelen gespeeld worden maar eerder spelletjes en dat, trouwens, de wiskunde, de logica en de Natuurwetenschappen Niets te maken hebben met wat eeuwenlang voor DE WAARHEID gehouden is en er nu nog door theologen on metafysici voor gehouden wordt, dat de wetenschappen alleen stellingen kunnen formuleren die binnen hun eigen systeem van regels goed zijn of verkeerd, maar daarbuiten. Niets NIEUWS aan het licht kunnen brengen; die Logische identiteiten zijn tautologieën en verder niet. 

Wat is je doel in de filosofie? De vlieg de uitweg uit het vliegenglas tonen. 

Meer dan dit is niet alleen niet mogelijk, maar het is zelfs niet denkbaar. Hele generaties filosofen, essayisten en theologen willen nu juist de mensen over deze ondenkbare dingen aan het denken zetten. 

Wittgenstein is oorspronkelijk van plan geweest de Philosophische Untersuchungen' te schrijven als een Samenhangend betoog. Toen hem dit niet lukte, stelde hij zich noodgedwongen tevreden met aforismen, met wat hij Noemt een album! Het is voortdurend dezelfde vraag die voortdurend anders belicht, voortdurend van andere afstanden en uit andere hoeken wordt bekeken. 

Niet door de aforistische vorm, maar wel wat zijn denkwijze betreft, kan Lichtenberg die trouwens een lievelingsauteur van Wittgenstein was, zijn voorloper worden genoemd. De vraag of de dingen werkelijk buiten ons bestaan en zo zijn als wij ze zien, zei Lichtenberg, is geheel zonder zin. Even dwaas is de vraag of de kleur blauw werkelijk blauw is. 

Onze gehele filosofie is correctie van het spraakgebruik. 

De zuivering van het taalgebruik die tot de ware filosofie voert, wordt met de taal van de valse filosofie ten uitvoer gebracht. Als de filosofie spreekt, is zij altijd gedwongen de taal van de Niet -filosofie te spreken." Nu staat Lichtenberg als humorist te boek. Zou het ZIN hebben ook Wittgenstein als een humorist te beschouwen? Een uitgangspunt voor de beschouwing van Wittgenstein als humorist gevonden worden in de soms zeer grillige voorbeelden waarmee hij zijn mening illustreert.  Als in de Neiging heb aan te nemen dat een muis door  spontane generatie uit grijze lapjes en stof ontstaat, zal het goed zijn deze Lapjes aan een Nauwkeurig onderzoek te Onderwerpen, om te weten te komen hoe de muis zich erin kon verstoppen, hoe hij bij de lapjes kon komen etc. Maar als ik ervan overtuigd ben dat een muis uit deze dingen Niet ontstaan, zal dit onderzoek misschien overbodig zijn. 

'De werkwijze een stuk haas op een weegschaal te leggen en naar de uitslag van de weegschaal de prijs vast te stellen. Zou zijn betekenis verliezen als het vaker voorkwam dat zulke stukken zonder aanwijs bare oorzaak plotseling groeien of ineenschrompelden." 

Iemand vraagt mij: kan je dit gewicht opheffen. Ik antwoord: Ja. Nou zegt hij: 'Doe het!' - en op dit ogenblik kan in het niet. Onder welke omstandigheden zou men de rechtvaardiging Laten gelden: Toen ik ja zei, toen kon ik het, ik kan het alleen nu Niet.'?' 

Ik kan hem opzoeken als hij er niet is, maar hem Niet ophangen als hij er Niet is. ...

De taal is een Labyrint van wegen. Je komt van de ene kant en kent de weg: je komt van een andere kant op dezelfde plaats en kent de weg niet meer. Bijvoorbeeld, zoals de zaken staat, een spel uitvinden dat Nooit door iemand gespeeld wordt. Maar zou dit ook mogelijk zijn: Onderstel dat de mensheid Nooit spelen gespeeld heeft; maar op een heer had iemand een spel uitgevonden, dat dan Natuurlijk Nooit gespeeld werd? 

Wittgenstein leefde op de rand van de waanzin! Wittgenstein machte geen grappen. In deze twee ZINNEN is Niets dan een tautologie begrepen. Want wat is waanzin anders dan een grap die geen grap is? Waanzin is: het werkelijke leven opgevat als poppenkast en de poppenkast opgevat als het werkelijke leven. Wittgenstein toont dat de meeste verschillen tussen de poppenkast en de werkelijkheid in het niets verwaaien bij een Nader onderzoek. De spraakmakende gemeente houdt deze verschillen voor onomstotelijk, maar Wittgenstein weet dat zij meestal zelfs geen spraak maakt. 

Op de manier van Wittgenstein suggereren dat 'die Menschheit Nur Geschwätz is. het roept de vraag op wat de mensheid dan nog te doen overblijft. Een menselijk individu dat zich uitsluitend tot zinrijke mededelingen zou beperken. Dus, wiskunde, logica en Natuuronderzoek is moeilijk voorstelbaar en een mensheid die Niets anders zou doen, zelfs een die dit het grootste deel van zijn Leven doen zou, wordt voorlopig Niet geboren. Niemand verlangt dat ook. Maar wat de mensen wel verlangen, dat is, al is het maar tijdelijk, in hun zinloze mededelingen geloven.  ...

De Naam Kafka is niet bij toeval genoemd. De verwantschap tussen de twee tijdgenoten is volgens sommigen duidelijk genoeg. Ik geloof dat het Niet veel meer is dan een kwestie van overeenkomstige intonatie. Intonatie en een zekere gemeenschappelijke Neiging tot symbolisering van het opgesloten zijn. De overeenkomst tussen hun wereldbeelden is een schijnbare. Maar 

'Ein Mensch ist in einem Zimmer gefangen, wenn die Tür Unversperrt ist, sich nach innen öffnet er aber nicht auf fie Idee kommt zu ziehen, statt gegen sie zu drücken! 

...

De algemene indruk die Philosophische Untersuchungen' Nalaat is dat het befaamde diepere menselijke contact waar de cultuurdiagnostici van onze dagen Niet over uit - gepraat raken, een onmogelijkheid is. Het ideeën - complex dat uit Philosophische Untersuchungen' oprijst is een Landschap uit een album met allerlei foto's van een bergmassief, is een communicatieprobleem. Wittgenstein meent Niet dat, zoals hoopvolle predikers dagelijks zeggen, de mensen zich van elkaar afsluiten - en Niet zouden behoren te doen of dat zij, door egoïsme verblind, fout zouden leven. Of dat zij door bezinning en aandacht betere communicatiemiddelen zouden kunnen uitdenken. Maar het is meer dat de mensen ook eigenlijk niet weten wat zij zouden moeten mededelen, zelfs als zij de ondenkbare betere communicatiemiddelen zouden bezitten, waarover gemediteerd wordt. Het onuitsprekelijke is Niet zozeer onuitsprekelijk, maar het is, zolang er- geen woorden voor zijn, zelfs niet denkbaar. 'Als een Leeuw Spreken kon, wij zouden hem niet kunnen verstaan! Ieder menselijk individu is min of meer zo'n Leeuw. 

Het is de vraag of de verhouding tussen mensen onderling, voor zover vriendschappelijk of liefderijk nou werkelijk wel van zo essentieel andere orde is dan die tussen baas en huisdier. In hoeverre zijn de geluiden die uitgewisseld worden tussen ouders en dieren, tussen geliefde of vrienden, in hogere mate taal dan het kwispelen van van een hond? Wat zou er aan de verhoudingen die er tussen de mensen bestaan, veranderen als zij plotseling allemaal doofstom werden? 

... Dit zijn geen onzinnige vragen die strikt wetenschappelijk zijn op te lossen, al zou het een kostbaar en buitengewoon omvangrijk onderzoek vergen. ZO'N Onderzoek zal bevestigen dat het gros van de intermenselijke mededelingen alleen een emotionele, maar geen logische inhoud heeft. Zodoende zal men weten in hoever de taal kan worden gemist, duz. in hoeverre de taal zonder dat er iets aan de functie van het taalgeluid verandert, vervangen worden door emotionele geluiden van de soort die men tegen en hond gebruikt. Dat een groot deel van de Lyriek en het belletristische. 

... Sommige van deze schrijvers dachten met dergelijke experimenten de positivistische taal theorieën te bestrijden. maar zij hielpen eerder mee ze te bevestigen. Enige vijandschap jegens de poëzie is bijvoorbeeld bij 19°-eeuwse positivisten à la Multatuli onmiskenbaar. In het 20°-eeuwse positivisme is daarvan geen sprake. Von Mises meent dat de wetenschap het richt op een doelbewust geïsoleerde reeks van verschijnselen. Zij is daarom niet eenzijdiger en ook Niet veelzijdiger, Niet Nuttiger en Niet minder bruikbaar dan de kunst. Wetenschap werkt met andere afkortingen. ... zij bedient zich van een andere taal. De poëzie is een snelle opeenvolging van taalspellen. "Het Nieuwe, spontane, specifieke zegt Wittgenstein, is altijd een taalspel." 

Dit is bijzonder toepasselijk op literatuur. In de poëzie volgen de taalspelen elkaar sneller op dan in de omgangstaal of de essayistisch. ook sneller dan in de metafysica. ... 

Dat laatste Nu juist, een beeld opdringen, is alles wat van de literatuur mag worden verwacht. Met logica hoeft het Niets te maken te hebben en heeft het ook meestal Niets maken. Daarom vormen artistieke stromingen geen een groot systeem, zoals wetenschappelijke stromingen, daarom scheppen artistieke revoluties wel een Nieuwe toon, een Nieuwe wijze van doen, een Nieuwe techniek, kortom: een Nieuw taalspel, beter een Nieuwe reeks Taalspelen, een stadium in een logische ontwikkeling vormen. Van een systematische ontwikkeling als in de wetenschappen. waar oude theorieën zelden volledig worden verworpen voor Nieuwe, maar als specialisatie of grensgeval een plaats vinden in meer omvattende generalisaties, is in de kunst geen sprake 

... welke stroming of periode ook afkomstig, iets dat waar is. of Niet waar iets dat met de totaliteit van de wereld Logisch verbonden is of Niet, maar het is iets dat indruk macht. of geen indruk macht. of geen indruk meer macht.  Het staat of valt met in publiek. Maar ontstaan het ook zonder publiek, ontstaan op dezelfde manier als het gebaar van de telefonerende spreker, die naar een te hoge tafel wijst, welke door zijn wederpartij niet wordt gezien. 

... 

Ik zei over het gebruik van een woord: dat het Niet overal door regels begrensd was. Maar hoe ziet een spel eruit dat overal door regels begrensd is ? waarvan de regels geen twijfel overlaten, alle gaatjes dichtstoppen. Kunnen wij ons niet een regel denken die de toepassing van de regels regelt ? en een twijfel die deze regel opheft en zo verder? Maar dat zegt niet,  dat wij twijfelen, omdat wij ons een twijfel denken kunnen.

Ik kan mij heel goed indenken dat iemand telkens voor het openen van zijn huisdeur twijfelt of erachter niet een afgrond is ontstaan. En dat hij zich daarvan vergewist voor hij de deur binnengaat (en eenmaal kan blijken dat hij gelijk had) maar daarom twijfel ik toch niet in hetzelfde geval. 

--

* - afbeelding: https://www.rapidknowhow.com/sprachspiel-alltag/ 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Het grootste bordeel van Europa

Typisch Spaans: Balay

Wat doet een Chief Economist - Officer?