Dit boek is enkel in het Spaans beschikbaar, Locos por los classicos, en is van de hand van Emilio del Río. Op de kaft staan de klassiekers in uitgaven van dezelfde uitgeverij: Espasa.
"Je moet zoveel," is een gedachte die me bij dit korte project te binnen schiet. Ja de klassieken zijn belangrijk. maar er is zoveel belangrijk. "Vroeg geleerd oud gedaan," is een andere gedachte. Ik ben niet "klassiek" opgevoed. Dat was denk ik ooit wel de bedoeling, maar dat is een ander thema.
Een bloemlezing van de belangrijkste klassiekers. Dat biedt dit boek. En uit die bloemlezing laat ik weer wat fragmenten zien of beter gezegd, pluk ik er wat krenten uit. Een aantal bekende klassiekers komen hier ook aan de orde: Odysseus en Illias. Van deze laatste schetst de auteur een mooi beeld van Achilles en Priamus, wanneer deze elkaar ontmoeten omtrent de dood van de zoon van deze laatste gedood door de eerste. De menselijke conditie, zo noemt Emilio het hoofdstuk. Illias is pure mensenkennis. Als je dop die lijn doorgaat kan vragen wat iemand een belangrijker werk vindt, Illias of Odysseus? Wat spreekt je meer aan. Ook Aeneas komt aan bod, niet aansluitend op deze verhalen, wat in het echt die aansluiting wel biedt en daar herinner ik me inderdaad dat Aeneas zijn vader op zijn schouders draagt, vanuit het brandende Troye. De latinist maakt zo steeds een bruggetjes naar het heden en in dit geval het belang van hoe we met onze ouders en ouderen omgaan.
Ik las dit boek nadat ik zelf een werkje op de boekplank was ingedoken - Latijnse Citaten - en zocht naar een paar dichters uit dat werk zoals Plautus. Mij totaal onbekend blijkt een interessant figuur te zijn. Hij schreef El embaucador (in het Spaans vertaald) en in het Latijn Pseudolus. Het verhaal over deze Plautus begint met een fragment over Simia en Balion (Simius en Balion?) "of hij iemand kent in deze steeg," waarop deze laatste antwoord, "ja, mezelf." hierop antwoord Simia, dat in Rome slechts een op tien mensen zichzelf kent. Hoe actueel, denk je dan. Ja het Latijn en het oude Rome mag er zijn. het verhaal van Plautus is verfilmd in het Spaans en heet dan Golfus de Roma (1966).
Over Plato, wederom (eerder schreef ik al over deze filosoof in het kader van een ander project) een werk dat ik zelf heb en las (Naast het genoemde werk van Homerus en de Enneas heb ik overigens ook). gaat de beschrijving de filosofische kant op, en hier twijfel ik aan de expertise van de auteur, omdat taal en filosofie toch twee verschillende takken van sport zijn. Maar zijn verhaal over Lord of the Rings is wel knap geschreven en nieuw voor mij*. Erotiek komt bij Catulus aan bod (de actualiteit, benadert Emilio met Besame, Besame mucho).
Seneca ontbreekt niet, maar dat verhaal . noch hoop, noch angst - kende ik wel. En dan zijn er twee geschiedschrijvers, Herodotus de vader van de geschiedschrijving en Thucydides.**
Dan de vrouwen. Cleopatra, natuurlijk en die is duidelijk het meest overgeleverd in onze tijd (...) Onlangs zag ik nog de opera van Händel welk verhaal ook in dit boek terugkeert, maar daarnaast ook haar verhouding met Marcus Aurelius. Die komt later ook zelf met zijn geschriften aan bod ("Meditaties," als voer voor coaches). Een (andere) vrouw [naast Medea van Euripides] die rebelleert wordt geschetst door Sophocles: Antigona. Zoekend op het internet kwam ik deze interessante website tegen, waarin tevens de samenvatting van dit verhaal over Antigona.***
"Cicero" gaat over vriendschap. en het verhaal van Ovidius, Metamorfose verbindt de auteur aan De West Side Story.
Deze bloemlezing doet niet helemaal eer aan het boek, maar ik denk dat er soortgelijke boeken zijn, die als gids werken voor deze wereld van de klassieken.
Zelf denk ik nog aan de missie van de schrijver, over beter gezegd de uitgeverij, want die heeft het werk in opdracht gegeven. Waarom klassieken lezen? Ik herinner me dat aan het begin van deze eeuw ook de klassieke oudheid "in" was. Zo heeft elk tijdperk zijn kans om de klassieken in het licht te zetten. Dat is nu niet echt het geval, lijkt me. Zou dit met een soort nostalgisch gevoel in de samenleving te maken hebben, of met expertise van deskundigen die in deze tijd - met al haar moeilijkheden - een oplossing zien in het verleden. Dat dacht ik toen ik tevens in het boek een passage las over Alcibiades / Alkibiades, bekend geworden bij ons, door de dichter Leonard Pfeijffer
-Weinig mensen zouden snel een verband leggen tussen Plato en The Lord of the Rings, [van...Tolkien]. De hypothetische Ring van Gyges van de oude Griekse filosoof vertoont echter enkele opvallende overeenkomsten met Saurons Ring. In de allegorie van Plato verleent de Ring van Gyges, net als Tolkiens Ring, de drager ervan de kracht van onzichtbaarheid. Beide ringen worden ook sterk geassocieerd met immoraliteit, corruptie en verleiding.
De Ring van Gyges wordt beschreven in Plato’s Republiek tijdens een gesprek tussen de Griekse filosoof en zijn broer Glaucon. Tijdens het gesprek vertelt Glaucon een mythe over de legendarische ring.
In het verhaal stuit een herder op een kloof in een berghelling waar hij zijn kudde hoedde. De herder klautert de kloof in, waar hij een enorm bronzen paard ontdekt met daarin het lichaam van een gigantische man. Aan de vinger van de reus zit een ring, die de herder voor zichzelf neemt.
Net als de Ene Ring in het verhaal van Tolkien verleent de ring die de herder ontdekt de kracht van onzichtbaarheid. De overeenkomsten houden daar niet op. De herder wordt verleid door de kracht van de ring om kwaad te doen, net zoals Gollum en andere personages in The Lord of the Rings.
De herder gebruikt de kracht van de ring om een positie voor zichzelf te regelen in het koninklijk paleis van Lydia. Hij wordt onzichtbaar, verleidt vervolgens de koningin en vermoordt met haar hulp de koning van Lydia en neemt de troon voor zichzelf over.
Het belangrijkste verschil tussen de twee ringen is de manier waarop ze hun dragers ertoe aanzetten kwaad te doen. De Ring van Gyges straalt zelf geen kwaad uit; de drager ervan komt eerder in de verleiding om uit eigen beweging immoreel te handelen. In wezen verleent de ring de herder de macht en het vermogen om zijn meest corrupte verlangens anoniem en zonder consequenties uit te voeren, maar deze verlangens zijn geheel de zijne.
In The Lord of the Rings is de One Ring doordrenkt met de essentie van de Dark Lord Sauron, de antagonist van het verhaal. De One Ring heeft een beperkte eigen wil en kan op subtiele wijze de drager en andere mensen beïnvloeden. De mate waarin de ring het gedrag en de moraal van de drager beïnvloedt, blijft een punt van discussie tussen Tolkien-geleerden.
Heeft de Ring van Gyges invloed gehad op Tolkien? Tolkien verwees in geen van zijn brieven rechtstreeks naar Plato's Ring of Gyges als inspiratiebron voor The Lord of the Rings. ... Tolkien werd diep beïnvloed door het verleden. De mythologie en geschiedenis van zijn geboorteland Engeland stonden voorop in zijn gedachten toen hij Middle-earth creëerde, de setting van The Lord of the Rings, The Hobbit en The Silmarillion. Hoewel de invloeden van de Angelsaksische, Germaanse en Keltische mythologie duidelijker in zijn werken te zien zijn, werd Tolkien ook sterk beïnvloed door de Griekse mythologie. De verdwijning van het eiland Númenor in de zee weerspiegelt het waterige lot van Atlantis, zoals verteld door Plato. Tolkien had zelfs een terugkerende nachtmerrie over Atlantis. “Deze legende, mythe of vage herinnering aan een oude geschiedenis heeft me altijd beziggehouden”, schreef de fantasy-auteur in een brief. 'In mijn slaap had ik de vreselijke droom van de onontkoombare Golf, die óf uit de stille zee kwam, óf hoog boven de groene eilanden uittorende...
(Plato’s Magic Ring Allegory and the Lord of the Rings, Alexander Gale. September 16, 2023, https://greekreporter.com/2023/09/16/plato-ring-allegory-lord-of-the-rings/)
** - Thucydides
Zijn boek De Peloponnesische Oorlog is vandaag de dag nog steeds één van de meest gelauwerde en bewonderde historische werken uit de geschiedenis. Bovendien wordt het beschouwd als het eerste moderne, wetenschappelijke geschiedwerk ooit. (https://historiek.net/thucydides-ca-455-395-vchr/7616/)
***
Antigone is een tragedie van de oude Griekse toneelschrijver Sophocles - Hoewel het werd geschreven voordat Sophocles ' andere twee Thebaanse toneelstukken, chronologisch komt het na de verhalen in "Oedipus de koning en "Oedipus in Colonus en het gaat verder waar Aeschylus ' spelen "Zeven tegen Thebe Het gaat over Antigone's begrafenis van haar broer Polynices (Polyneices), in weerwil van de wetten van Creon en de staat, en de tragische gevolgen van haar daad van burgerlijke ongehoorzaamheid. ... Het idealistische karakter van Antigone bewust riskeert haar leven door haar daden, alleen bezig met het gehoorzamen van de wetten van de goden en de dictaten van familiale loyaliteit en sociaal fatsoen. Creon aan de andere kant, heeft alleen betrekking op de eis van politiek opportunisme Een groot deel van de tragedie ligt in het feit dat Creons besef van zijn dwaasheid en onbezonnenheid te laat komt, en hij betaalt een zware prijs, alleen achtergebleven in zijn ellende. (https://nineka.cat/nl/antigone-het-toneelstuk-van-sophocles-analyse-samenvatting-griekse-mythologie)
Over de klassieken (Sobre los estudios classicos, Ortega y Gasset, 1907)
Aere perennius.—Horatius: Carmina.
Pan hield van Syrinx, een jonge nimf met blauwe aderen en gouden zenuwen.
En Pan was een boer, een herder van steeneiken, ruige beuken, ruisende iepen en vage, rijke dromen.
Pan was niets meer dan dat: op zijn ruige rug droeg hij boomstammen, en dan bleven er vaak een paar groene blaadjes in zijn donkere baard verstrikt.
Met zijn imposante gestalte, gespierde borst, brede oren en gebruinde teint, voelde Pan het oeroude sap door zijn aderen stromen dat uit het platteland sijpelt...
Maar waarom dit verhaal zo uitvoerig vertellen, dat jullie allemaal net als ik al op een marmeren plaat hebben gezien?
Pan achtervolgde Syrinx; toen de herfst aanbrak, blies er een bergwind die Syrinx' ziel meevoerde, misschien zelfs in het lichaam van een hinde. Haar lichaam lag naast een bron, trillend van leven; Haar slapen bleven onbeweeglijk, die slapen waar het bloed zo'n helder ritme klopte dat de blinde Homerus, die er met zijn brede lippen op drukte, er verzen over had kunnen componeren, zoals Goethe ze naar verluidt gebruikte, tikkend op de schouder van een Italiaanse vrouw die hij liefhad. Het lichaam van Syrinx bleef zo lang verborgen voor Pans zoektocht dat in de boezem van haar bleke, stralende borsten een leeuwerik in april een nest bouwde. Eindelijk vond Pan haar en begroef haar daar, en zijn hart leed zo hevig dat de donkere blik van een melancholisch beest uit zijn ogen verdween. En na een paar seizoenen ontsproten er tere rietstengels op de aarde waar hij haar had begraven. Pan sneed ze af en maakte er een fluit van in de stijl van de herder, maar met een bijzondere zoetheid. En hij kwam vaak niet ver van de bron; hij zat aan de rand van het bos, op de rug van een witte steen, en terwijl de zon onderging, blies hij zijn wangen op en liet hij de hele ziel van het harmonieuze bos door de gouden rietstengels stromen. De lucht trilde tussen het riet, en in de fontein trilde het water ritmisch. Deze pijnlijke liefde was de bloem van zijn eeuwige leven, en vanaf dat moment hield hij van alles zoals alleen Pan dat kan. Hij bleef slechts met een lichte melancholie achter, die hij genas met zacht plagen, door de wegen op te gaan en de timide boeren angst aan te jagen. Terugkerend naar het bos, dacht ik.
Jullie kennen allemaal dit prachtige verhaal dat je tot tranen toe roert, en dat we, zoals alle prachtige verhalen, gewoonlijk een 'mythe' noemen, uit welluidendheid en wetenschappelijke terughoudendheid. Als ik het nu vertel, is dat omdat mijn leraar en vriend, Don Julio Cejador, me gisteren een 'Nieuwe
Methode voor het Leren van Latijn' stuurde, die hij zojuist heeft geschreven; dit bracht me aan het denken over klassieke studies, dit over Grieks classicisme, en dit over het herstellen van de oude pastorale die ik jullie in herinnering heb gebracht.
Omdat ik in Pan, vóór zijn liefdesaffaires, een symbool zie van het witte beest van Europa vóór Griekenland, namelijk de Syrinx uit de fabel. Zoals in de Syrinx het beest Pan, de God-Pan, werd geschapen, werd het witte beest in Griekenland tot mens geschapen. Zonder Hellenistische discipline
zou het slechts een andere mogelijkheid tot menselijkheid zijn geweest, zoals
het metafysische beest van Azië of het totemdier van Afrika.
De helderheid van Griekenland was noodzakelijk opdat de zenuwen van de mensaap wetenschappelijke en ethische trillingen konden bereiken; kortom, menselijke trillingen. Ik laat enkele argumenten die ik aan het formuleren ben tegen de "Afrikanistische" afwijking, die is ingeluid door onze meester en marabout, Don Miguel de Unamuno, ter onderbouwing van mijn bewering: dat de mens in Griekenland is geboren en goed geboren is, met behulp van de kunsten van zijn moeder, de vroedvrouw, de
rondtrekkende en dubbelzinnige Socrates.
Misschien is er geen enkel historisch tijdperk zo vreemd geweest aan gevoel, aan de zorg voor cultuur, als het onze. Tegenwoordig nemen we genoegen met beschaving, wat iets heel anders is, en we zijn tevreden als ons verteld wordt dat je tegenwoordig in minder tijd van Madrid naar Soria kunt reizen dan een eeuw geleden. We vergeten daarbij dat de grotere reissnelheid alleen de moeite waard is als we vandaag de dag in Soria iets doen dat preciezer, rechtvaardiger of mooier is dan wat onze grootouders deden. Want we moeten erkennen dat beschaving niets meer is dan de som van de technieken, de middelen waarmee we dit immense en ongetemde dier van de natuur temmen voor bovennatuurlijke doeleinden. Merk op dat ik niet bovenmenselijk zeg, maar bovennatuurlijk, en een voorbeeld hiervan zou de instelling van het socialisme kunnen zijn, of, vanuit het andere perspectief, de bevordering van de bijnaam. Naast deze verwaarlozing van cultuur bestaat er ook een grote minachting voor het klassieke: het is heel gebruikelijk onder ons om te geloven dat het woord 'classicisme' geen enkele werkelijkheid weergeeft en dat het hoogstens geschikt is voor gemakkelijke uitbreidingen van een anachronistische retoriek. En toch denk ik dat achter dat woord op mystieke wijze de meest complete en omvattende werkelijkheid schuilgaat, want ik beschouw het klassieke niet alleen als het embryo van de cultuur, maar ook als de kern ervan.
vanwege de blijvende betekenis ervan. Als ik niet zo bang was om onduidelijk over te komen – God verhoede, Luciferiaans Attica! – zou ik het zo formuleren: men kan alleen figuurlijk spreken van een plattelandscultuur: cultuur wordt in de juiste betekenis begrepen als de cultuur van de mens, en het duidt op de uitwerking en de progressieve ontwikkeling van wat specifiek menselijk is. Als de vooruitgang niet kan worden gewaardeerd, is het woord cultuur betekenisloos, en kan het niet worden gewaardeerd tenzij een richting wordt aangenomen, tenzij een lijn wordt getrokken waarop de graden van vooruitgang vervolgens moeten worden gemarkeerd. Hierin ligt – geloof ik – het hele probleem van de historische methodologie, van geschiedenis als wetenschap, waarvan de oplossing de Demiurg heeft toevertrouwd aan deze onduidelijke eeuw die onder ons geboren wordt. Omdat het nodig is zo luid te roepen dat de dove sociologen ons kunnen horen – sociologie, hoeveel barbaarsheid is er wel niet samengebald in dit woord, Luciferiaans Griekenland! – is het nodig te roepen dat er geen historische feiten bestaan, maar eerder een lange nachtmerrie van grijze en onbeduidende gebeurtenissen waarin de chronologie een monotoon, weefgetouwachtig ritme oplegt. Het louter doorzoeken van die nachtmerrie, om er enkele duidelijkere gebeurtenissen uit te selecteren die we representatief noemen en die we betreuren met het voorrecht van historische feiten, is onmogelijk zonder die soevereine lijn die betekenis en bevestiging aan de cultuur geeft. En laat men niet zeggen dat een symbolische lijn van vooruitgang in de beschaving zou volstaan, want dit is slechts een instrument van de cultuur, en vooruitgang in de beschaving zal uiteindelijk altijd de hypothese van vooruitgang in de cultuur veronderstellen om haar ware waarde te kunnen afwegen.
Die magnifieke lijn die de geschiedenis leidt en de eeuwen klaarstoomt voor een toekomstig ideaal, heeft, zoals elke lijn, twee punten nodig om gedefinieerd te worden: het ene, dat van oorsprong, ligt in Griekenland, waar de mens geboren werd, en het andere, dat van dood, ligt in het oneindige, waar de mens de urn van zijn hart zal plaatsen, gebakken in een Griekse oven door een Socratische pottenbakker. In de algemene dans van het leven voegt het classicisme een gebaar van waardigheid in, waardoor die burleske dans wordt geordend tot een majestueuze menselijke theorie. Er is maar één classicisme, Grieks classicisme, en renaissances zullen altijd, noodzakelijkerwijs, een wedergeboorte van Griekenland zijn, een terugkeer naar het drinken van de eeuwige energie van de Hellenistische ruïnes, "duurzamer dan brons". En wanneer we vandaag de dag spreken van een heropleving
van het indianisme, begaan we een zekere vorm van misbruik, zoals blijkt uit de woorden:
ook al heb ik, van mijn kant, een diep respect voor het Sanskriet, de taal die gesproken wordt door de wijze olifanten in het riet.
Ik wil kort schrijven, zodat lezers niet over mij zullen klagen: en nu ik aan het einde van deze pagina's ben aangekomen, betreur ik de onmatigheid van mijn pen, die, na niets meer te hebben gedaan dan de vraag naar het classicisme aan te snijden, de vraag naar het humanisme, hun voornaamste onderwerp, onbesproken laat. Maar het was noodzakelijk: humanisme is slechts een functie van het classicisme. Om aan te geven wat voor ons Spanjaarden in die context het belangrijkst is, volstaat het te zeggen: als classicisme de intieme betekenis van cultuur is, dan is Grieks-Latijns humanisme het classicisme van de "vormen" van cultuur, en in het bijzonder van de mediterrane "vormen" van cultuur. Ik ben ervan overtuigd dat de Spaanse kunst realistisch zal zijn en altijd realistisch moet zijn. Maar juist daarom kunnen we alleen voorkomen dat ons realisme in vulgariteit vervalt en zich wentelt in onmenselijke bezigheden door de richtlijnen en normen van de geesteswetenschappen voortdurend voor ogen te houden. Het is geen toeval dat de naam "geesteswetenschappen" is bedacht. Ik zal hier een andere keer over spreken: vandaag wilde ik alleen even het nieuwe werkje noemen van mijn leraar en vriend, Don Julio Cejador, die zo'n zeven jaar geleden een "Griekse grammatica volgens de historisch-vergelijkende methode" publiceerde. Zes jaar geleden publiceerde hij de "Inleiding" op zijn belangrijkste werk, "Taal"; vijf jaar geleden "De kiemen van de taal"; drie jaar geleden "De embryogenese van de taal"; twee jaar geleden de "Grammar van Don Quixote";
een jaar geleden het "Woordenboek van Don Quixote"; twee maanden geleden een bundel essays over filologische en taalkundige vraagstukken. Na veel moeite heeft meneer Cejador een leerstoel Latijn aan het Instituut van Palencia bemachtigd. En daar zit hij dan, les te geven in verleden en tegenwoordige tijd aan een paar kleine Keltiberische engeltjes.
Zonder zijn ritme en goede humeur te verliezen, heeft de heer Cejador, die in de Jacobeaanse worstelingen met wetenschappelijke problemen de klassieke deugd van ironische bescheidenheid leerde, een prachtig Latijns traktaat geschreven, zo mooi, zo fris en zo eenvoudig, dat het een pedagogische idylle lijkt.
Grammatica, het onorganische apparaat van regels, uitzonderingen, enzovoort, het hele verwarde apparaat van de jezuïtische pedagogie verdwijnt, verdund in een gesprek. Want de "Nieuwe Methode" bestaat uit twee boeken: het lesboek en het huiswerkboek, en beide boeken communiceren met elkaar, en de dialoog tussen de twee boeken is wat mij een didactische idylle lijkt, bijna net zo mooi als de andere idylle waarover ik u heb verteld.
Gedragen uit het geheugen, van Pan en Syrinx.
Duits, Latijn en Grieks (idem Ortega y Gasset 1911)
DUITS, LATIJN EN GRIEKS
Het huidige debat in Frankrijk over het Latijn kan dienen als voorwendsel om onze eigen reflectie op het probleem van het taalonderwijs te vernieuwen. Zoals de huidige wetgeving er nu voor staat, is het onmogelijk om die voort te zetten. Een volledige hervorming is noodzakelijk. Hier volgt een mening.
De lezer is ervan op de hoogte dat een aantal Fransen, bekend in de literaire wereld – die vaak meer een etalage is dan iets anders – een Liga hebben opgericht ter verdediging van de Franse taal en cultuur. Volgens deze heren gaat het met beide slecht: de traditie van expressieve schittering, ongedwongen charme en een vrouwelijke, indiscrete nieuwsgierigheid naar de zwakkere kanten van de mens gaat in een alarmerend tempo verloren. Universiteitsprofessoren zijn zo geobsedeerd door de waarheid dat vage welsprekendheid uit de Franse collegezalen verdwijnt. Geschiedenis is niet langer een reeks panoramische vergezichten die aan de lyriek van studieuze jongeren worden aangeboden, maar een wreed en vasthoudend, nauwgezet en kuis werk op documenten, op bronnen. Literaire kritiek is niet langer, zoals in het ongeremde tijdperk van Sainte-Beuve, een verzameling pittige anekdotes, een opsomming van de amusante zonden waaraan dichters en prozaschrijvers bezweken in de minder nobele uren van hun bestaan, maar het systematisch traceren van de oorsprong van hun creaties, het verzamelen van lexicografische variaties, de reconstructie van de meest illustere delen van hun ziel. Filosofie is niet langer, zoals in de idyllische tijd van Cousin en Renan, een soort retoriek, maar reflectie op de complexe methodologie van de wetenschappen: alleen meneer Bergson vereeuwigt de wijsheid van het ancien régime door voor een groot publiek een demi-mondaine filosofie te verkondigen. Dit betekent dat het Franse ras ziek is: volgens de heren van de Volkenbond is de missie van Frankrijk in de geschiedenis om op een elegante manier te schrijven of te spreken, waarbij de waarheid als nationaal product wordt verworpen. De waarheid is een Germaans product, en dat ijverige, eerlijke Frankrijk, dat diepe deugden beoefent, is daarom een verduitst Frankrijk. Daarin schuilt het kwaad: verduitsing. Hoe dit te genezen? Heel eenvoudig: met Latijn, zoals Molières dokter deed; laat de middelbare scholieren meer Latijn studeren. Op deze manier zal de Latijnse cultuur zich tegen het verduitsingisme verzetten.
Deze campagne voor de Latijnse retoriek en tegen de Germaanse wetenschap wordt gedreven door de traditionalistische en conservatieve stroming die, achter de politieke schijn van de Republiek, de atmosfeer in het buurland in haar greep krijgt. Ik zou graag ongelijk hebben, maar ondanks het energieke Franse socialisme valt te voorspellen dat er in Frankrijk een nieuwe restauratie wordt voorbereid. Het is te hopen dat het onsterfelijke Frankrijk van de onderwereld, het Frankrijk dat de vrijheid in Europa heeft georganiseerd, deze reactionaire machten opnieuw zal verslaan; Maar aangezien Spanje een culturele traditie mist, de uitoefening en liefde voor burgerlijke vrijheid nog nooit heeft bereikt en onderworpen is aan Franse leerstellingen en mode, moeten we ons noodzakelijkerwijs zorgen maken over deze palingenetische pogingen van een deel van de Franse bevolking. Het klinkt paradoxaal, maar als we de Franse ideeën van de 19e eeuw bekijken, zullen we ontdekken dat deze eeuw in Frankrijk conservatief is geweest en volledig een groeiende reactie vormt tegen de 18e eeuw. Niets was zo'n schande voor de meest invloedrijke mannen van de afgelopen veertig jaar – Renan en Taine – als de wetenschap dat ze afstammelingen van Voltaire waren. In het werk van beiden schuilt een impliciete waarschuwing dat Voltaire een conclusie is, een laatste moment in de evolutie van de Franse originaliteit. Het spirituele zwaartepunt was verschoven naar de Germaanse volkeren. Een loyale impuls van hun ziel bracht hen ertoe nieuwe substanties te zoeken in Duitsland en Engeland; Toen de keizerlijke Uhlanen Parijs belegerden, een van de plaatsen waar de Frankische geest – het hart van Renan – met de grootste kracht en zuiverheid klopte, was de stad al gekoloniseerd door het Duitse denken. Hun loyaliteit was echter niet volledig: ze misten de bescheidenheid om openlijk het faillissement van de nationale cultuur te verklaren, nederigheid aan hun tijdgenoten aan te bevelen en hen ertoe aan te zetten te leren van jongere en zelfs oorspronkelijk creatieve culturen. Aan de andere kant sterft een culturele macht als Frankrijk nooit echt of houdt nooit helemaal op te bestaan: hier en daar duiken Franse wetenschappelijke uitvindingen op; restanten van de verdwenen impuls blijven bestaan, en bovenal lijkt een briljante literatuur de Europese gevoeligheid te blijven beheersen. Ze geloofden daarom in de mogelijkheid van een Franse renaissance zonder die vernederende omweg; een hernieuwing van etnische energieën. Taine, uit Engeland; Renan, uit Duitsland, brachten de ideeën van de Restauratie mee: Hegel, de Restaurator, de Rechtvaardiger, de Romanticus, nodigden hen uit om een nationalistische ideologie te ontwikkelen en een lastpost, om Voltaire en de Revolutie te verloochenen, om het feodalisme te herstellen. Uit deze kiemen komen de huidige nationalistische moerassen voort. De aanhoudende dualiteit in de zielen van Taine en Renan kenmerkt het hedendaagse Frankrijk; het superieure deel van het ras, de serieuze, diepzinnige, deugdzame mannen, streven ernaar het Germanisme te herintegreren, gedreven door een duidelijk historisch besef: de "troublions", de frivole en ijdele, leggen zich niet neer bij de hegemonie van de Germaanse geest, en omdat ze aanvoelen dat ze hier, tenminste, deel van uitmaken, het heden en de nabije toekomst, zoeken ze het verleden en willen ze het terugdraaien, de loop van de wereld stilzetten zodat het klimaat waarin decadente literatuur, de formele en adjectivische cultuur van het 20e-eeuwse Frankrijk, mogelijk is, kan voortduren.
Ik heb decadente cultuur gezegd; maar ik wil graag goed begrepen worden. Ik koester nog steeds een grote liefde voor die Franse schrijvers van wie wij, bij gebrek aan nationale meesters, hebben leren schrijven.
Ik geloof dat zij in de roman, net als in de schilderkunst, een nieuw artistiek instrument hebben gecreëerd dat zonder hen pas over een eeuw ontdekt zou zijn: het realisme in de stijl van Flaubert en het impressionisme van Manet vertegenwoordigen de meest succesvolle, krachtigste en waardige esthetische stroming die de mensheid tot nu toe heeft voortgebracht.
In mindere mate zijn er, van Chateaubriand tot Barres en van Ingres tot Cézanne, vele andere prijzenswaardige pogingen te vinden om suggestieve en onvergankelijke vorm te geven aan de menselijke dingen die passies en ideeën zijn.
Maar cultuur is meer dan dat, meer dan de vorm van menselijke passies en ideeën; het is de schepping van nieuwe passies en nieuwe ideeën.
En dat is wat Frankrijk in de 19e eeuw miste. De rijkdom aan formele uitvindingen heeft al enige tijd de armoede aan gevoeligheid voor de dingen zelf gemaskeerd, en terwijl ze de bijvoeglijke naamwoorden oppoetsten, verouderden de zelfstandige naamwoorden, zonder welke een zin niet kan leven,
zonder vernieuwing. Decadente cultuur betekent niet verachtelijke cultuur, maar slechts bijvoeglijke naamwoordcultuur, een cultuur die gedoemd is te sterven zonder enige toekomstperspectief. Er zijn bepaalde waarden in die cultuur waarnaar geen gezonde en opkomende cultuur kan streven, een zekere zachtheid en complexiteit, een zekere toon van oneindige melancholie, een zekere overdaad aan expressieve vermogens, elegantie, frivoliteit, pracht.
De producten van decadentie hebben die authentieke smaak die Seneca vergelijkt met die van appels die van de boom zijn gevallen, tot de laatste druppels uit een kopje.
Maar we moeten leven en we hebben geen vrije tijd meer, en zouden die ook niet moeten hebben. Decadente cultuur is fataal voor een volk dat al gevallen is. Nu hebben we de elementaire substanties van het leven nodig, we hebben zelfstandige naamwoorden nodig. Heeft de exclusieve beheersing van de kunst van het bijvoeglijk naamwoord, die we uit Parijs meekregen, ons niet ernstig geschaad? We zijn een stervende man die ze willen leren dansen. Daarom willen we leven, het elementaire leven leiden, lucht inademen, lopen, zien, horen, eten, liefhebben en haten.
We hebben precies het tegenovergestelde nodig van wat Frankrijk ons kan bieden:
een cultuur van passies en ideeën, niet van vormen. We hebben een introductie tot het essentiële leven nodig.
Geloof me als ik zeg dat niemand een grotere spontane antipathie jegens de Germaanse cultuur heeft gevoeld en zal blijven voelen dan ik. Het pathetische protestantisme, de pedanterie, de intuïtieve armoede, de plastische en literaire ongevoeligheid, de politieke ongevoeligheid van de gemiddelde Duitser houden mijn overtuiging te allen tijde vast dat het geen klassieke cultuur is, dat het germanisme overwonnen moet worden. Maar let wel: het moet overwonnen worden; vandaag de dag gebeurt dat niet.
Wat wel overwonnen is, is de zogenaamde Latijnse cultuur. Als we naar iets sterkers streven, is het essentieel dat we beginnen bij de Germaanse wetenschap. Dus voorlopig hebben de Romaanstalige volkeren niets beters of serieuzers te doen dan het Germanisme opnieuw te absorberen zonder te proberen de Latijnse mummie nieuw leven in te blazen. Immers, alles wat onsterfelijk is in de Latijnse cultuur, vinden we ook terug in de Germaanse cultuur; want wat is Germanisme anders dan de absorptie van het Latinisme door de Germaanse volkeren gedurende de Middeleeuwen?
We hebben een inleiding tot het essentiële leven nodig. Dit is de eerste en belangrijkste behoefte. Daarom is het noodzakelijk dat al het Spaanse hoger onderwijs, alle universitaire diploma's, alle speciale scholen, kennis van de Duitse taal vereisen. De Germaanse cultuur is de enige inleiding tot het essentiële leven.
Maar dit is niet genoeg. (OyG, De Imparaal, 10 september 1911).
Reacties