Zwitserse filosofen

Is er een beeld te schetsen van de Zwitserse filosofen? En dan vooral gericht op de tweedeling, Frans- versus Duitstalig? Deze vraag naar: Filosofen (of filosofie) in Zwitserland, geeft onderstaande lijst**:   

  • Primair Duitstalig zijn:
    • [Alain de Botton (Zurich, Du, En)] 

    • Titus Burckhardt (Basel, Du)
    • Magdalena Aebi (Burgdorf, Du)
    • Carl Hilty (Grabs, Du) 
    • Karl Jaspers (sinds 1967, Du)
    • Friedrich Albert Lange (Solingen-Duitsland, Zurich, Du)
    • Pascal Mercier (Bern, Du - Overleden in Berlijn)
    • Johann Heinrich Pestalozzi (Zurich, Du)
    • Anna Tumarkin (Russisch, Bern, Du)
    • Johann Georg von Zimmermann (Bern, Du)

  • Primair Franstalig zijn:
    • Henri-Frédéric Amiel (Geneve, Fr)
    • Jean le Clerc (Geneve, Fr)
    • Daniel-Henri Drue (Lausanne, Fr)
    • Gabriel Fragnière (Lausanne, Fr)
    • Ferdinand Gonseth (Sonvilier, Fr)
    • Jeanne Hersch (Geneve, Fr)
    • Tariq Ramadan (Geneve, ...)
    • Denis de Rougemont (Nuechatel, Fr)
    • Jean-Jacques Rousseau (Geneve, Fr)
    • Ferdinand de Saussure (Geneve, Fr)
Carl Jung komt niet voor in deze lijst, en staat onder de psychologen vermeld. In feite zoals het hoort. Er zijn op het oog relatief veel (bekende) Zwitserse psychologen, namelijk dertien afgaande op Wikipedia. Ramadan zou ik zelf niet op de lijst gezet hebben, maar neem ik hier mee omdat Wikipedia als source gebruikt is.

Een AANTAL andere namen die niet in deze lijst voorkomt vond ik in een alternatieve bron:
1. Constant
Met een HPI [Historically Popularity Index] van 73,28 is Benjamin Constant de 2e meest beroemde Zwitserse filosoof. Zijn biografie is vertaald in 46 verschillende talen.
Henri-Benjamin Constant de Rebecque ... was een Zwitsers en Frans politiek denker, activist en schrijver over politieke theorie en religie. Een gecommitteerde republikein sinds 1795, steunde Constant de coup d'état van 18 Fructidor (4 september 1797) en de volgende op 18 Brumaire (9 november 1799). Hij werd de leider van de Liberale oppositie in 1800, tijdens het Consulaat. Na Napoleon te hebben geërgerd en Frankrijk te hebben verlaten om naar Zwitserland en vervolgens naar het Koninkrijk Saksen te gaan, steunde Constant hem toch tijdens de Honderd Dagen, het Charter van 1815 opstellen en werd politiek weer actief tijdens de Restauratie van de Bourbons. Hij werd in 1818 verkozen in de Kamer van Afgevaardigden en bleef in functie tot zijn dood in 1830. Als leider van de Liberale oppositie, bekend als Indépendants, was Constant een van de meest opvallende oratoren van de Kamer als voorstander van het parlementair stelsel. Tijdens de Julirevolutie was hij een voorstander van Louis Philippe I die de troon besteeg. Naast zijn talrijke essays over politieke en religieuze thema's schreef Constant ook over romantische liefde. ... Constant was een fervent liberaal van het begin van de 19e eeuw. Hij verfijnde het concept van vrijheid, dat hij definieerde als een bestaanstoestand die het individu in staat stelde om interferentie van de staat of de maatschappij te ontwijken. Zijn ideeën beïnvloedden de Trienio Liberal beweging in Spanje, de Liberale Revolutie van 1820 in Portugal, de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog, de Novemberopstand in Polen, de Belgische Revolutie en het liberalisme in Brazilië en Mexico.
2 [4 op de referentie]. Emer de Vattel (1714 - 1767) – Neuchâtel was een Zwitsers jurist en diplomaat, die in zijn bekendste boek Le droit des gens de systematiek van het moderne volkenrecht uiteenzet. Hij werd geboren in Neuchâtel (toentertijd deel van Pruisen). Vattel is een van de grondleggers van het rechtspositivisme in het volkenrecht, en is in zijn juridische denken beïnvloed door Christian Wolff, Hugo de Groot en Samuel von Pufendorf. [Was dus terecht niet op de filosofenlijst gekomen]

3 [5.] Frithjof Schuon (1907 - 1998) - Met een HPI van 63,76 is Frithjof Schuon de 5e meest beroemde Zwitserse filosoof. Zijn biografie is vertaald in 27 verschillende talen.  ... was een Zwitsers filosoof en spiritueel leider, behorend tot de Traditionalistische School van Perennialisme. Hij was de auteur van meer dan twintig werken in het Frans over metafysica, spiritualiteit, religie, antropologie en kunst. Hij was ook een schilder en een dichter. Samen met René Guénon en Ananda Coomaraswamy was Schuon een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de philosophia perennis in de 20e eeuw. Net als zij, bevestigde hij de werkelijkheid van een absoluut Principe – God – waaruit het heelal voortkomt, en stelde hij dat alle goddelijke openbaringen, ondanks hun verschillen, een gemeenschappelijk wezen bezitten: één en dezelfde Waarheid. Hij deelde ook met hen de zekerheid dat de mens potentieel in staat is tot suprarationeel kennis, en nam een gedurige kritiek op de moderne geestelijkheid op, volgens hem afgesneden van zijn traditionele wortels. Volgend op Plato, Plotinus, Adi Shankara, Meister Eckhart, Ibn Arabī en andere metafysici, zocht Schuon om de metafysische eenheid tussen het Principe en zijn manifestatie te bevestigen. Geïnitieerd door Sheikh Ahmad al-Alawī in de Sufi Shādhilī orde, stichtte hij de Tarīqa Maryamiyya. Zijn geschriften benadrukken sterk de universaliteit van de metafysische leer, samen met de noodzaak om een religie te beoefenen; hij legt ook de nadruk op de belangrijkheid van de deugden en van de schoonheid. Schuon onderhield nauwe relaties met een groot aantal persoonlijkheden van diverse religieuze en spirituele horizon. Hij had een bijzonder interesse in de tradities van de Noord-Amerikaanse Prairie-Indianen, handhaven vaste vriendschappen met een aantal van hun leiders en werd geadopteerd in zowel een Lakota Sioux stam als de Crow stam. Na een groot deel van zijn leven in Frankrijk en Zwitserland doorgebracht te hebben, verhuisde hij op 73-jarige leeftijd naar Bloomington, Indiana, waar hij een gemeenschap van leerlingen had.

4 [6.] Jean Vanier (1928 - 2019) - Ook een hoge HPI (62.39), zijn biografie zou naar 26 verschillende talen zijn vertaald. Maar Vanier was - weliswaar geboren in Geneve, een Canadees, katholieke filosoof en theoloog.  Heeft ook een smet op zijn naam gekregen door misbruik van vrouwen (bron: https://pantheon.world/profile/occupation/philosopher/country/switzerland). 

De lijst [de lijst van Pantheon heeft nog een andere naam uit de 18de-eeuw (Karl Ludwig von Haller)] is redelijk evenwichtig, al zijn er natuurlijk zwaargewichten die het geheel uit balans zouden kunnen halen. Rousseau (en wellicht de Saussure ook) is natuurlijk van een eigen kaliber, waar enkel Karl Jaspers in het "Duits" tegenover staat.

Mag je hier een conclusie uit trekken. Dat de Zwitserse filosofen evenwichtig in het Duits en het Frans te vinden zijn?

Wat zegt het internet? Over algemene verschillen, tussen beiden groepen:
  1. Philosofische focus: Frans-sprekenden neigen meer naar existentialisme, fenomenologie, en post-structuralisme, terwijl Duits-sprekenden het meer zoeken in metafysica, epistemologie en ethiek.

  2. Invloed van nationaal filosofische tradities: in beide gevallen "kijken" de beiden groepen filosofen meer naar de taaltraditie (Frans, Duits) waar ze zich mee verbonden voelen en dat vormt hun benadering en methodologie.

  3. Culturele en linguistische context: Idem, de culturele kwesties verschillen en daarmee de "oplossing" van de filosoof [ruwe interpretatie].

A. Over deze filosofen. Duitstaligen

Alain de Botton, als eerste. Heeft in 2008 The School of life opgericht, en deze opereert in London, Parijs, Amsterdam, Antwerpen, Seoul, Istanboel, Tel Aviv, Sao Paolo, Berlin, Zurich en Melbourne. In Zwitserland heeft hij gekozen voor een Duitstalige omgeving, maar logischerwijs omdat hij daar geboren is. Zijn vader van een Israëlische pionier die een nieuw model van assetmanagement heeft uitgevonden, en sprak vloeiend negen talen. Alain leefde twaalf jaar in Zwitserland en leerde zowel Duits als Frans. Daarna trok hij naar Engeland waar Engels zijn eerste taal werd. Hij ging naar Harvard om te promoveren in Franse Filosofie, maar gaf dit onderzoek op om boeken te schrijven.   
...

Titus Burckhardt,

 een Duitse Zwitser, werd geboren in Florence op 24 oktober 1908 en stierf in Lausanne op 15 januari 1984. Hij wijdde zijn leven aan de studie en uiteenzetting van de verschillende aspecten van Wijsheid en Traditie. In het tijdperk van de moderne wetenschap en technocratie was Titus Burckhardt een van de meest opmerkelijke exponenten van de universele waarheid, zowel op het gebied van de metafysica als op het gebied van de kosmologie en de traditionele kunst. In een wereld van existentialisme, psychoanalyse en sociologie was hij een belangrijke stem van de philosophia perennis, die ‘onscheppende wijsheid’ die tot uitdrukking komt in het platonisme, de vedanta, het soefisme, het taoïsme en andere authentieke esoterische of sapiëntiële leringen. In literaire en filosofische termen was hij een vooraanstaand lid van de 'traditionalistische' of 'perennialistische' school van denkers en schrijvers uit de 20e eeuw.

Het werk van [de perennialistische pioniers] Guénon en Schuon werd… overgenomen door twee illustere opvolgers: de Indiër Ananda K. Coomaraswamy (1877-1947) die in het Engels schreef, en de Duits-Zwitserse Titus Burckhardt, die zowel in het Duits als in het Frans schreef.…

Hoewel hij voor het eerst het levenslicht zag in Florence, was Burckhardt een telg uit een patriciërsfamilie uit Bazel. Hij was de achterneef van de beroemde kunsthistoricus Jacob Burckhardt en de zoon van de beeldhouwer Carl Burckhardt. Titus Burckhardt was een jaar jonger dan Frithjof Schuon, en hun vroege schooldagen brachten ze rond de tijd van de Eerste Wereldoorlog samen door in Bazel. Dit was het begin van een intieme vriendschap en een diep harmonieuze intellectuele en spirituele relatie die een leven lang zou duren.

Burckhardts belangrijkste metafysische uiteenzetting, die het werk van Schuon prachtig aanvult, is An Introduction to Sufi Doctrine. Dit is een intellectueel meesterwerk dat de aard van het esoterie als zodanig uitgebreid en nauwkeurig analyseert. Het begint met het duidelijk maken, aan de hand van een reeks heldere en economische definities, wat esoterie is en wat het niet is, gaat verder met het onderzoeken van de leerstellige grondslagen van het islamitische esoterie of soefisme, en eindigt met een geïnspireerde beschrijving van ‘spirituele alchemie’, of het contemplatieve pad dat naar spirituele realisatie leidt. Door dit werk werd Burckhardt duidelijk de belangrijkste exponent, na Schuon, van de intellectuele doctrine en spirituele methode. Over de specifieke vraag naar het gebruik door de perennialisten van de term ‘Intellect’ (Intellectus = Spiritus, niet mens of ratio), zie het citaat van Meister Eckhart op p. x.[1]

Burckhardt wijdde een groot deel van zijn geschriften aan de traditionele kosmologie, die hij in zekere zin zag als de "dienstmaagd van de metafysica". Hij presenteerde de principes die op het spel staan ​​formeel in een meesterlijk en beknopt artikel "The Cosmological Perspective", dat voor het eerst in 1948 in het Frans werd gepubliceerd en nu een hoofdstuk vormt in dit boek. Veel later – in een reeks artikelen die in 1964 zowel in het Frans als in het Duits werden gepubliceerd – behandelde hij het kosmologische terrein zeer volledig, en maakte hij ook veel gedetailleerde verwijzingen naar de belangrijkste takken van de moderne wetenschap. Al deze artikelen zijn opgenomen in dit boek, in de sectie getiteld "Traditionele en moderne wetenschap".

Niet los van zijn interesse in de kosmologie had Burckhardt een bijzondere affiniteit met traditionele kunst en vakmanschap en was hij bedreven in de evaluatie van traditionele architectuur, iconografie en andere kunsten en ambachten. In het bijzonder stond hij stil bij de manier waarop ze geestelijk ter verantwoording werden geroepen – en zouden kunnen worden –, zowel als zinvolle activiteiten die op grond van hun inherente symboliek een leerstellige boodschap herbergen, en bovenal als ondersteuning voor spirituele realisatie en als middel tot genade. Ars sine scientiâ nihil. Hier is uiteraard sprake van scientia sacra en ars sacra, aangezien dit de twee kanten van dezelfde medaille zijn. Dit is het domein van de ambachtelijke initiaties van de verschillende traditionele beschavingen, en in het bijzonder van zaken in de Middeleeuwen als operatieve metselwerk en alchemie. Burckhardts belangrijkste werk op het gebied van de kosmologie was zijn volledige boek Alchemy: Science of the Cosmos, Science of the Soul, een briljante presentatie van alchemie als de uitdrukking van een spirituele psychologie en als een intellectuele en symbolische ondersteuning voor contemplatie en realisatie.

Burckhardts belangrijkste werk op kunstgebied was zijn Sacred Art in East and West, dat meesterlijke hoofdstukken bevat over de metafysica en esthetiek van het hindoeïsme, het boeddhisme, het taoïsme, het christendom en de islam, en eindigt met een nuttig en praktisch inzicht in de hedendaagse situatie getiteld "The Decadence and Renewal of Christian Art". Hier zijn veel uittreksels uit dit boek opgenomen.

Tijdens de jaren vijftig en zestig was Burckhardt artistiek directeur van de Urs Graf Publishing House van Lausanne en Olten. Zijn belangrijkste activiteit gedurende deze jaren was de productie en publicatie van een hele reeks facsimile's van prachtige verluchte middeleeuwse manuscripten, vooral vroege Keltische manuscripten van de evangeliën, zoals het Book of Kells en het Book of Durrow (van Trinity College, Dublin) en het Book of Lindisfarne (van de British Library, Londen). Dit was baanbrekend werk van de hoogste kwaliteit en een publicatieprestatie die onmiddellijk brede bijval kreeg van zowel experts als het bredere publiek.

Zijn productie van het prachtige facsimile van het Book of Kells bracht hem een ​​opmerkelijke ontmoeting met paus Pius XII. Uitgeverij Urs Graf wilde een exemplaar van de uitgave aan de heilige en prinselijke paus overhandigen, en er werd besloten dat er geen beter persoon kon zijn om de presentatie te verzorgen dan hun artistiek directeur Burckhardt. In de ogen van de paus was Burckhardt ogenschijnlijk een protestantse heer uit Bazel. De paus verleende hem een ​​privé-audiëntie in zijn zomerresidentie in Castelgandolfo. Toen in de audiëntiezaal plotseling de in het wit geklede figuur van de paus verscheen, benaderde hij zijn bezoeker gastvrij en zei in het Duits tegen hem: "Sie sind ook Herr Burckhardt?" ("Dus u bent de heer Burckhardt?"). Burckhardt maakte een buiging en toen de paus hem zijn hand uitstak met de Vissersring, nam hij die respectvol in de zijne. Als niet-katholiek kuste hij echter niet de ring (zoals de gewoonte is onder katholieken), maar de vingers van de paus. “Wat de paus glimlachend toestond”, voegt Burckhardt eraan toe.

Samen spraken ze over de donkere middeleeuwen en over de buitengewoon mooie manuscripten van de evangeliën die in die tijd zo liefdevol en zo verfijnd waren geproduceerd. Aan het einde van de audiëntie sprak de paus zijn zegen uit: "Vanuit mijn hart zegen ik u, uw familie, uw collega's en uw vrienden."

Het was tijdens deze jaren bij uitgeverij Urs Graf dat Burckhardt leiding gaf aan een interessante reeks publicaties met de algemene titel Stätten des Geistes ("Homesteads of the Spirit"). Dit waren historisch-spirituele studies van bepaalde manifestaties van heilige beschaving, en behandelden thema's als de berg Athos, Keltisch Ierland, de Sinaï, Constantinopel en andere plaatsen. Burckhardt zelf heeft drie boeken bijgedragen aan de serie: Siena, Stad van de Maagd, Chartres en de geboorte van de kathedraal, en Fez, Stad van de Islam. Siena is een verhelderend verslag van de opkomst en ondergang van een christelijke stad die, architectonisch gezien, tot op de dag van vandaag een gotisch juweel blijft. Het meest interessante van alles is echter het verhaal van de heiligen. Burckhardt wijdt veel van zijn pagina's aan St. Catharina van Siena (die onder andere een krachtige invloed had op de paus van haar tijd) en aan St. Bernardino van Siena (die een van de grootste katholieke beoefenaars – en leraren – was van de bezwerende manier van bidden, gebaseerd op de reddende kracht van de Heilige Naam). Chartres is het verhaal van het religieuze ‘idealisme’ (in de beste zin van het woord) dat ten grondslag lag aan de conceptie en praktische realisatie van de middeleeuwse kathedralen – de nog steeds bestaande monumenten uit een tijdperk van geloof. In Chartres zet Burckhardt de intellectuele en spirituele inhoud van de verschillende bouwstijlen uiteen, waarbij hij in dit opzicht niet alleen onderscheid maakt tussen gotiek en romaans, maar zelfs tussen de verschillende varianten van de romaans. Het is een schitterend voorbeeld van wat wordt bedoeld met intellectueel onderscheidingsvermogen of discriminatie.

Een van de vele meesterwerken van Burckhardt is ongetwijfeld zijn Fez, Stad van de Islam, winnaar van de eerste plaats van de 13e Boek van het Seizoen Award op het gebied van “Geschiedenis”. Als jonge man bracht hij in de jaren dertig een paar jaar door in Marokko, waar hij intieme vriendschappen sloot met enkele opmerkelijke vertegenwoordigers van het nog intacte spirituele erfgoed van de Maghreb. Dit was duidelijk een vormende periode in Burckhardts leven, en een groot deel van zijn daaropvolgende boodschap en stijl vindt zijn oorsprong in deze vroege jaren. In die tijd had hij al een groot deel van zijn ervaring aan het schrijven besteed (niet onmiddellijk gepubliceerd), en pas eind jaren vijftig rijpten deze geschriften en deze ervaringen uit tot een definitief en meesterlijk boek. In Fez, Stad van de Islam, vertelt Burckhardt de geschiedenis van een volk en zijn religie – een geschiedenis die vaak gewelddadig, vaak heroïsch en soms heilig was. Door dit alles heen loopt de draad van islamitische vroomheid en beschaving. Deze Burckhardt legt het uit met een zekere en verhelderende hand, waarbij hij veel van de leringen, gelijkenissen en wonderen van de heiligen van vele eeuwen vertelt, en niet alleen de kunsten en ambachten van de islamitische beschaving demonstreert, maar ook haar ‘aristotelische’ wetenschappen en haar bestuurlijke vaardigheden. Er valt inderdaad veel te leren over het bestuur van mensen en naties uit Burckhardts indringende presentatie van de principes achter dynastieke en tribale wisselvalligheden – met hun mislukkingen en hun successen.

In de geest van Fez ligt een ander volwassen werk van Burckhardt, namelijk de Moorse cultuur in Spanje. Zoals altijd is dit een boek over waarheid en schoonheid, wetenschap en kunstt, vroomheid en traditionele cultuur. Maar in dit boek gaat het, misschien meer dan in alle andere, om de romantiek, ridderlijkheid en poëzie van het premoderne leven.

Tijdens zijn eerste jaren in Marokko verdiepte Burckhardt zich in de Arabische taal en nam hij de belangrijkste klassiekers van het soefisme (islamitische mystiek) in hun oorspronkelijke vorm over. In latere jaren zou hij deze schatten met een groter publiek delen via zijn vertalingen van Ibn ‘Arabî [2] en Jîlî. [3] Een van zijn belangrijkste vertaalwerken was die van de spirituele brieven van de beroemde 18e-eeuwse Marokkaan Shaikh Mulay al-‘Arabî ad-Darqâwî. [4] Deze brieven vormen een spirituele klassieker en zijn een kostbaar document van praktische spirituele raad.

Burckhardts laatste grote werk was zijn alom geprezen en indrukwekkende monografie Art of Islam. Hier worden de intellectuele principes en de spirituele rol van artistieke creativiteit in zijn islamitische vormen rijkelijk en genereus voor ons getoond. Met dit nobele boek komt een einde aan het unieke Burckhardtiaanse literaire corpus.
 
... 

Magdalena Aebi, 

was een dochter van Hans Aebi, een machineconstructeur, en van Mari Aebi. - 
Na haar schooltijd in Burgdorf studeerde Aebi klassieke filologie, kunstgeschiedenis en archeologie in Zürich en München en filosofie in Hamburg, samen met Ernst Cassirer. In 1943 doctoreerde ze met een proefschrift over Immanuel Kant. Aebi trachtte Kants centrale argumenten, vooral die over de transcendentale logica, te weerleggen met behulp van formele logica. Ze weigerde een aanstelling aan de Universiteit van Bern, maar nam wel deel aan internationale filosofische congressen als onafhankelijk onderzoeker. Daarnaast bracht ze ook bijdragen uit voer antropologie en epistemologie. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Magdalena_Aebi).
-- Kritiek op Immanuel Kant -- In haar boek Kants Begründung der "Deutschen Philosophie." Kants transzendentale Logik, Kritik ihrer Begründung Aebi bekritiseert fundamenteel Kants transcendentale deductie van de zuivere concepten van begrip in The Critique of Pure Reason. Aebi probeert te bewijzen dat de hele tekst van Kant onduidelijk, onsamenhangend en tegenstrijdig is. Ze constitueerde quaternio terminorum – de misvatting van vier termen – als zijn belangrijkste fout die in twee verschillende betekenissen van transcendentale apperceptie op de middelste term van het syllogisme voorkomt.

Volgens Aebi verkondigt Kants filosofie "een immense macht van het ego" en dit idee heeft zijn opvolgers bepaald. Daarom is de Duitse filosofie sinds Kant subjectivistisch geweest met als basisprincipe ‘ik’ als subject. (https://en.wikipedia.org/wiki/Magdalena_Aebi)

...

Carl Hilty.

 Duidelijk te zien aan de omvang van de Wikipedia-pagina dat de Duitse gemeenschap deze filosoof meer omarmt heeft dan de Franstalige lezers / gemeenschap.

Familie achtergrond -- "The Red House", Hilty's geboorteplaats, met het wapen van de niet-aristocratische familie: een fleur-de-lis op een rode achtergrond
Hilty werd geboren in het kleine stadje Werdenberg in het kanton St. Gallen in het noordoosten van Zwitserland. Zijn vader was de arts Johann Ulrich Hilty, die geneeskunde beoefende in Chur, de hoofdstad van het oostelijke kanton Graubünden. Zijn familie was al eeuwenlang in Werdenberg gevestigd en in 1835 kocht hij het afbrokkelende kasteel Werdenberg op een veiling. Hilty's moeder Elisabeth (née Kilias) kwam uit Chur en was de dochter van een voormalige regimentsarts van het Franse leger. Zij stierf in 1847.

Hilty groeide op in Chur, waar hij eerst de openbare basisschool en daarna de kantonschool van de Zwitsers Hervormde Kerk bezocht. Van 1851 tot 1853 studeerde Hilty jurisprudentie in Duitsland aan de Universiteit van Göttingen. In 1854 promoveerde hij in beide wetten aan de Universiteit van Heidelberg. Vervolgens verbleef hij enige tijd in Londen en Parijs om zijn taalvaardigheid te verbeteren.

Vanaf 1855 was hij bijna twintig jaar lang directeur van een advocatenkantoor in Chur.[3] Als niet-burger van Graubünden ontpopte hij zich al snel als een prominente voorstander van directe democratie.

In 1857, na een verlovingsperiode van slechts een paar maanden, trouwde Hilty met Johanna Gaertner, afkomstig uit een familie van rechtsgeleerden in Pruisen. Haar vader Gustav, die al in 1842 stierf, was hoogleraar rechten aan de Universiteit van Bonn. Haar moeder Marie Simon, die in Breslau werd geboren als dochter van een rechter en voormalig voorzitter van de Pruisische examencommissie van juristen, had een politieke roman geschreven en gepubliceerd over de Duitse revoluties van 1848-1849. Net als haar broer Heinrich Simon, die een vooraanstaand lid van het parlement van Frankfurt was geweest, moest zij blijkbaar ontsnappen aan de antidemocratische en antiliberale repressie in het reactionaire tijdperk dat volgde op de onderdrukte revoluties en sloot zich bij hem aan in zijn Zwitserse ballingschap. Johanna's peetvader was de nationalistische en pro-democratische schrijver Ernst Moritz Arndt, die ook lid was geweest van het parlement van Frankfurt.[5]

Hilty's zus Anna was getrouwd met de jurist en brigadegeneraal Hand Hold, een van de leidende liberalen van Graubünden in de tweede helft van de 19e eeuw.

Geluk en politieke jaarboeken - Vanaf 1886 was hij redacteur van Politisches Jahrbuch der schweizerischen Eidgenossenschaft (The Journal of Swiss Jurisprudence)

Hilty's filosofische zorg was praktisch van aard. Hij schreef over geluk, de zin van het leven en werk, het ontwikkelen van goede gewoonten, tijdmanagement en het winnen van de strijd van het leven. Hij werd beroemd door zijn geschriften over geluk, die voor het eerst in drie delen verschenen in 1891, 1895 en 1899. Deze essays werden uiteindelijk verzameld in één deel met de titel: "Happiness: Essays on the Meaning of Life". In dit werk combineert Hilty het oude stoïcijnse denken met christelijke overtuigingen. Het werk werd vertaald in het English door prof. Francis Greenwood Peabody, hoogleraar christelijke moraal aan de universiteit van Harvard, en verscheen voor het eerst in de Verenigde Staten in 1903.

Hilty steunde het Leger des Heils, dat zijn diensten in Zürich opende. Aanvankelijk maakte hij grapjes over hun luidruchtige verschijning, maar pas een paar jaar later herkende hij hen als een van de weinige groepen die de woorden van Jezus in praktijk konden brengen. Hilty was in zijn tijd een van de weinige intellectuelen die nog in het Evangelie geloofden, terwijl veel andere intellectuelen zich wijdden aan de zogenaamde 'monastieke' filosofie die de nieuwe wetenschappen na Darwin volgde. Hij geloofde in een nieuwe reformatie die verder ging dan de dogma’s van kerken en politiek, na de tijd van het materialisme.

Hij zei beroemd: "Vrede is slechts een haarbreedte verwijderd van oorlog." Hoewel hij een christen was, was hij geen pacifist en verwachtte hij de komende wereldoorlog ...
(https://en.wikipedia.org/wiki/Carl_Hilty#External_links)

...

Karl Jaspers is ook niet echt Zwitser, maar laten we even op deze lijst staan.

Friedrich Albert Lange,

... is ook primair Duitser, destijds geboren in Pruissen.
... Hij vestigde zich in Winterthur, werd mederedacteur van de Winterthurer Landboten en sloot zich aan bij de uitgeverij van een vriend. Hij raakte zeer betrokken bij de Zwitserse politiek, vooral bij de beweging om de grondwet te hervormen en democratischer te maken – een beweging die bijzonder sterk was in zijn kanton Zürich. Hij zat in het bestuur van veel sociale organisaties en in verschillende staatscommissies als expert op het gebied van onderwijs, bankwezen en spoorwegen (Weinkauff 1883, 30). Gedurende deze tijd gaf hij ook af en toe les aan het Winterthur Gymnasium. Hij bleef werken aan zijn bijdragen aan Schmids onderwijsencyclopedie (Lange 1859-1875) en hij reageerde op kritiek op de eerste editie van zijn History of Materialism in Neue Beiträge zur Geschichte des Materialismus (Lange 1867).
In 1869 trad hij als privaatdozent toe tot de faculteit van Zürich. Hij voltooide de zwaar herziene tweede editie van de Arbeiterfrage in 1870.  In 1870 kreeg hij eindelijk ook een hoogleraarschap in Zürich, maar helaas gebeurde dit vrij snel nadat bij hem de diagnose kanker werd gesteld. 
Ondanks de ziekte bleef hij werken aan de tweede editie van The History of Materialism (Lange 1873–75).  Nadat hij aanbiedingen van Königsberg en Würzburg had afgewezen, accepteerde hij in 1872 een uitnodiging om hoogleraar te worden in Marburg. Hij gaf tot het einde lezingen, maar kanker leidde uiteindelijk tot zijn dood op 21 november 1875 in Marburg.

...

Pascal Mercier,

 (Bern, Du - Overleden in Berlijn). Ook hier zie je aan Wikipedia dat de Franse pagina slechts twee paragrafen aan deze filosoof wijdt, maar in het Duits vele pagina's.

Vooral bekend van het boek, de nachttrein.

...

Johann Heinrich Pestalozzi,

... leefde van 1746 tot 1827 en wordt vaak omschreven als humanist, mysticus, een liberaal, een socialist, een conservatief, revolutionair,  sociale hervormer, een politiek filosoof en opvoeder. Wordt gezien als de vader van het modern onderwijs en vader van de pedagogiek. Betrokken bij de armen, gericht op kinderen, thuis als model voor school, moeder als rolmodel voor onderwijzer, het hart als ontwikkeling en moraal, leraar als hovenier,  kind georiënteerd onderwijs, het hoe in plaats van het wat bij onderwijs. Conformity with Nature, Active Learning, concrete ervaring, cirkels (de Pestalozzi wereld)

Johann Heinrich Pestalozzi (Zürich, 12 januari 1746 – Brugg, 17 februari 1827) was een Zwitsers pedagoog, schrijver, filantroop, hervormer, politicus en filosoof. Hij was een onderwijsvernieuwer die streefde naar onderwijs voor iedereen (volksonderwijs) en werd bekend om zijn aanpak van 'levensecht' aanschouwelijk onderwijs. Door zijn niet aflatende zorg voor achterstandskinderen staat hij bovendien bekend als vader van de sociale pedagogiek.
Pestalozzi werd in 1746 geboren als zoon van een arts in Zürich. Hij groeide op in een gezin met zeven kinderen. Zijn vader heeft hij echter niet lang gekend, want die overleed reeds toen hij vijf jaar oud was. Vanaf die tijd werd Pestalozzi door zijn moeder en het dienstmeisje Bäbeli opgevoed. Bäbeli had zijn vader namelijk op zijn sterfbed beloofd om bij het gezin te blijven om te helpen bij de verzorging en de opvoeding van de kinderen. In een terugblik op zijn leven omschreef Pestalozzi zichzelf later als een 'moederskindje' dat door het ontbreken van de vader enigszins geïsoleerd van de buitenwereld opgroeide. Tegelijkertijd bewaarde hij tedere herinneringen aan zijn beide 'moeders'. Zij zorgden voor een gevoelvolle omgeving waarin de kinderen met veel zorg werden omringd. Daarnaast heeft zijn grootvader, een dominee in het plaatsje Höngg, invloed op zijn ontwikkeling gehad. Bij hem ging Pestalozzi regelmatig logeren en raakte hij vertrouwd met het plattelandsleven. Vermoedelijk is dit contact ook van invloed geweest op zijn latere studiekeuze in Zürich, want daar ging hij theologie en filosofie studeren aan het Collegium Humanitatis en het Collegium Carolinum. Toch vond hij zijn bestemming niet als theoloog, maar - na enige omzwervingen - als pedagoog. Zonder overdrijving kan beweerd worden dat Pestalozzi zijn stempel heeft gedrukt op de praktijk en theorie van de opvoeding tot in onze tijd. Zijn theorie kwam voort uit zijn opvoedingspraktijk. Hij was in de eerste plaats een pedagoog die praktisch werkzaam was: iemand die begaan was met het lot van arme kinderen, voor wie hij een - voor die tijd - uniek kinderhuis oprichtte. Daarnaast legde hij in talrijke geschriften verantwoording af van de door hem gebruikte opvoedingsmethoden. In zijn lange loopbaan heeft hij afwisselend leiding gegeven aan verschillende kinderhuizen en onderwijsinstituten. (Wikipedia nl. OOk hier is de Duitse pagina vele malen uitgebreider)

...

Johann Georg Zimmermann,

... was het kind van Johannes Zimmermann en Johanna Pache. Hij was sinds 1766 gehuwd met Susanna Katharina Steck; zij kregen hun dochter Katharina von Zimmermann (1756–1781). Na de dood van zijn dochter trouwde hij met Luise Margarethe von Berger (1755–1826), die later zijn landgoed beheerde.
Zimmermann studeerde eerst retorica, geschiedenis en filosofie in Bern, daarna geneeskunde in Göttingen. Daar was hij vanaf 1747 een leerling van zijn Zwitserse landgenoot Albrecht von Haller, voor wie hij veel ontzag had. Nadat hij in 1751 in Göttingen was gepromoveerd, maakte hij studiereizen naar Leiden en Parijs, Daarna werd hij van 1752 tot 1754 huisarts in Bern en vanaf 1755 in zijn geboorteplaats Brugg (destijds nog in het Zwitserse kanton Aarau).
In Göttingen behaalde hij de graad van doctor in de geneeskunde, en vestigde hij zijn reputatie met het proefschrift De irritabilitate (1751). Na een reis door Nederland en Frankrijk, oefende hij een praktijk uiy als stadsarts in Brugg, waar hij tevens zijn eerste filosofische werken schreef. Vooral zijn werken over eenzaamheid en nationalisme maakten indruk maakten en verschenen ook vertaald in het buitenland.
Zimmermanns karakter werd gekenmerkt door een vreemde combinatie van sentimentalisme, melancholie en enthousiasme. Door de vrije en excentrieke uitdrukking van deze eigenschappen genoot hij de belangstelling van zijn tijdgenoten als een markant persoon.
In 1755 begon zijn uiterst vruchtbare carrière als schrijver met de publicatie van de biografie van zijn leermeester, Das Leben des Herr von Haller. In 1760 werd hij verkozen tot buitenlands lid van zowel de Beierse Academie van Wetenschappen als de Pruisische Academie van Wetenschappen.
In 1768 vestigde hij zich in Hannover als lijfarts van George III. Catharina II nodigde hem uit aan het hof van Sint-Petersburg, maar deze uitnodiging sloeg hij af.
In 1770 werd hij buitenlands lid van de Academie van Wetenschappen in Göttingen
Hij stond Frederik de Grote bij tijdens diens laatste ziekte en publiceerde na diens dood meerdere geschiften over hem, waarvan Über Friederich den Grossen und meine Unterredung mit ihm kurz vor seinem Tode ("Over Frederik de Grote en mijn gesprek met hem kort daarvoor" zijn dood", 1788) en het niet onomstreden Fragmente über Friedrich den Grossen ("Fragmenten over Frederik de Grote", 1790).
Hij had een dochter genaamd Katharina von Zimmermann, die op haar twintigste stierf aan tuberculose, waarbij ook haar moeder en grootmoeder omkwamen.
In 1786 werd hij erelid van de Russische Academie van Wetenschappen in Sint-Petersburg.

B -  de Franssprekende zijde

(1) Henri-Frédéric Amiel. 

27 september 1821. Genève - 11 mei 1881 (59 jaar). Werkte voor de Universiteit van Genève (vanaf 1854), Past bij het Duits idealisme. Overleed ook in Genève. [Gedenkplaat aan de rue Étienne Dumont in Genève.] Hij is een Zwitserse schrijver en filosoof, auteur van een uitzonderlijk dagboek, zowel qua volume (17.000 pagina's) als qua waarde en universaliteit van zijn boodschap.
Hij is de eerste zoon van Henri Amiel en Caroline Brandt. Twee familietragedies markeerden zijn jeugd: de dood van zijn moeder (aan tuberculose), toen hij nog maar elf jaar oud was, en minder dan twee jaar later de zelfmoord van zijn vader, die zich in de Rhône wierp. Henri-Frédéric, toen 13 jaar oud, en zijn twee jongere zussen, Fanny en Laure, werden opgevangen door hun oom Frédéric Amiel en hun tante Fanchette, die al ouders waren van elf kinderen. Dit verblijf duurt zeven jaar. Nadat hij zijn studie in zijn geboortestad was begonnen, reisde Henri-Frédéric naar Zwitserland, Italië, Frankrijk en België. In Duitsland stopte hij eerst negen maanden in Heidelberg. Vervolgens studeerde hij van 1844 tot 1848 in Berlijn filosofie (bij Schelling), psychologie (bij Friedrich Eduard Beneke), filologie en theologie. Hij was een van de eerste buitenlanders die geïnteresseerd was in de filosofie van Schopenhauer, die hij al in 1866 aan zijn studenten presenteerde, maar zijn opleiding en karakter weerhielden hem ervan zich eraan te houden, waardoor hij de voorkeur gaf aan die van Krause.

In 1849 keerde hij terug naar Genève en werd hoogleraar esthetiek en Franse literatuur aan de Universiteit van Genève, dankzij zijn studie van de literaire beweging in Franstalig Zwitserland en haar toekomst. Van 1854 tot aan zijn dood behield hij zijn leerstoel filosofie. Hij introduceerde rond 1860 in de Franse en Engelse taal de term onbewust, in de zin van wat niet bewust is.
Rond 1870 schreef Berthe Vadier een poëzieboekje dat zij aan H.-F. Amiël. Van daaruit begint een relatie “van een meester en een student”. Na deze ontmoeting verbleef hij de laatste jaren van zijn leven in het Chappuis-pension, gerund door Berthe Vadier en haar moeder, en stierf hij in hun huis. Hij ligt begraven op de Clarens-begraafplaats.

Amiel publiceerde verschillende dichtbundels, historische of filologische studies en filosofische essays beïnvloed door de Duitse idealistische filosofie. Het populairste werk dat hij zijn hele leven publiceerde was het patriottisch-militaristische lied Roulez, tambours! (1857).
Het nageslacht kwam naar Amiel dankzij zijn monumentale dagboek van 17.000 pagina's (16.847 om precies te zijn), dat hij bijhield van 1839 tot 1881. Na zijn dood werd hij ontdekt. De korte uittreksels die in 1882 (slechts vijfhonderd pagina's werden behouden) in twee delen werden gepubliceerd, dankzij de zorg van een bevriende leraar van de dagboekschrijver, Fanny Mercier, en de criticus Edmond Schérant, veroorzaakten grote sensatie vanwege de helderheid van de gedachten van de auteur, de oprechtheid van zijn introspectie, de nauwkeurigheid van de details, zijn ontmoedigde visie op het bestaan ​​en zijn neiging tot zelfkritiek. Ze beïnvloedden schrijvers uit de late 19e en vroege 20e eeuw, niet alleen in Zwitserland, maar ook elders in Europa (bijvoorbeeld Leo Tolstoj).

In het bijzonder vinden we deze nu beroemde zinsnede: 
  • “Elk landschap is een gemoedstoestand” (in het Duits “jedes Landschaftsbild ist ein Seelenzustand”).
Pascal Bruckner werpt in Le Sacre des pantoufles (Grasset, 2022) een compromisloze blik op Amiels dagboek, dat volgens hem “ons lot als veelbewogen zwakke mensen beter belichaamt dan enig ander”. Voor Bruckner is Amiel een ‘uitzinnig persoon met een zwakke wil’, de enige dagboekschrijver in de geschiedenis die ‘een standvastigheid in smakeloosheid heeft gemarkeerd die hem de titel van keizer van de atonie zou opleveren. »

Andere werken, o.a.
  • Over de literaire beweging in het Romaanse Zwitserland en zijn toekomst (1849)
  • Jean-Jacques Rousseau beoordeeld door de hedendaagse Genèvezen (1879)
[Zie een verslag over Amiel vertaald door Matsier*]

(2) - Jean LeClerc.

 19 maart 1657. Genève. 8 januari 1736 (op 78-jarige leeftijd). Amsterdam. Theodorus Gorallus, Thomas Gorallus. Theoloog, journalist, filosoof, historicus, vertaler, universiteitsprofessor. Jean Le Clerc, ook wel Jean Leclerc of Johannes Clericus genoemd onder zijn Latijnse naam, geboren op 19 maart 1657 in Genève en overleden op 8 januari 1736 in Amsterdam, is een Geneefse protestantse theoloog en predikant die ook historicus, criticus en journalist was.
Hij is de zoon ... uit een gezin oorspronkelijk uit Beauvaisis gevestigd in Genève, een leraar Grieks en van Suzanne Gallatin. Hij volgde de filosofielessen van Jean-Robert Chouet en presenteerde zijn proefschrift De essencia materiae. Daarna volgde hij de cursussen van de theologen Louis Tronchin en Bénédict Turrettini.
In 1678 werd hij naar Dauphiné geroepen als leraar van een oudste zoon van de familie Sarrazin, heren van Beaumont, en in 1679 benoemd tot predikant in Genève. In 1680 verbleef hij in Saumur, waar de Literii de Sancto Amore Epistolae Theologicae die aan hem werden toegeschreven, werden gepubliceerd.
Na een verblijf van zes maanden in Londen in 1682, waar hij preekte in de Waalse kerk, vestigde hij zich in Amsterdam. Daar ontmoette hij John Locke en Philipp van Limborch. De kerk van GenEva was toen een uitgesproken vijand van de leringen van Jacobus Arminius over universele genade en de toerekening van Adams zonde. Le Clerc wijkt daarmee af van het calvinisme.

Le Clerc vertaalt Locke's A Letter Concerning Toleration. Met laatstgenoemde onderhoudt hij een correspondentie. Volgens de zeventiende-eeuwse geleerde Delphine Soulard, “een echte promotor van Locke, was Le Clerc de eerste die zijn filosofische, maar ook politiek-religieuze ideeën bekend maakte aan de Republiek der Letteren”.

Na een laatste poging om in Genève te gaan wonen, vestigde hij zich definitief in Amsterdam en preekte tot 1684 elke vrijdag in de remonstrantse kerk. Na deze datum wijdde hij zich aan het onderwijs en doceerde hij filosofie, Hebreeuws en Belles-Lettres aan het remonstrantse college. Na de dood van Limborch werd hij hoogleraar kerkgeschiedenis tot 1728, toen hij een beroerte kreeg.

In 1703 publiceerde hij Het Nieuwe Testament van Onze Heer Jezus Christus, vertaald uit het Griekse origineel door Jean-Louis de Lorme. Hij publiceerde ook de Universele en Historische Bibliotheek (Amsterdam, 25 delen, 1686-1693), begonnen met JC de la Croze, The Selected Library (Amsterdam, 28 delen, 1703-1713) en The Ancient and Modern Library (29 delen, 1714-1726).

Familie
Jean is de zoon van Étienne Le Clerc (1599-1676), filoloog, en Susanne Gallatin de Tudert. Hij heeft twee broers, Daniel Leclerc (1652-1728), arts en anatoom, François, en een zus, Madeleine.
In 1691 trouwde hij met Marie, dochter van Grégoire Leti, en kreeg vier kinderen (minderjarig overleden) [4].

Publicaties, o.a.
- Over ongeloof: waar we de motieven en algemene redenen onderzoeken die ongelovigen ertoe brengen de christelijke religie te verwerpen: met twee brieven waarin de waarheid rechtstreeks wordt bewezen, H. Wetstein, 1696; David Mortier, 1714.

(3) Daniel-Henri Druey.

16 november 1848 - 29 maart 1855 President zelf in 1850. Wetgevende macht 1e tot en met 3e
DFJP-afdeling (1848-1849 en 1852). DFF (1851 en 1853-1855). Politieke partij Radicale Democratische Partij. Afgestudeerd aan de Universiteit van Lausanne. Beroep Advocaat. Rechter
Daniel-Henri Druey, beter bekend onder zijn vereenvoudigde versie Henri Druey, is een Zwitserse politicus, advocaat en journalist, geboren op 12 april 1799 in Faoug en overleden op 29 maart 1855. Lid van de Radicale Democratische Partij, hij was federaal raadslid van 1848 tot 1855.
Daniel-Henri Druey werd geboren op 12 april 1799 in Faoug, waar hij staatsburger was, en waar zijn vader een herberg runde, het postkantoor. Hij heeft 5 broers en zussen. Hij bezocht de lagere school in zijn dorp en vervolgens in Murten en op een privéschool in Avenches voordat hij naar het Loder Instituut in Bern ging. Aan het einde van zijn opleiding werd hij aangenomen als griffier bij notaris Briod in Lucens.
In 1818 volgde Druey cursussen aan de Academie van Lausanne. Hij studeerde af in de rechten in 1820 en vertrok in september naar Duitsland. Hij verbleef een semester aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Tübingen, voordat hij vanaf april 1821 archeologie en Romeins recht studeerde in Heidelberg. Vervolgens ging hij in 1822 naar Göttingen en vervolgens van november 1823 tot oktober 1824 naar Berlijn. Daar werd hij een leerling van Friedrich Hegel, die hem zijn politieke ideeën voorlegde.
Hij keerde in de zomer van 1824 terug uit Duitsland voordat hij in oktober naar Parijs vertrok om cursussen te volgen aan de universiteit. Vervolgens kwam hij in contact met persoonlijkheden uit de literaire en journalistieke wereld en ontmoette hij de natuuronderzoeker Alexander von Humboldt, Metternich, Chateaubriand en Benjamin Constant. In 1825 reisde hij door Engeland en werkte op het kantoor van een Londense advocaat. Hij verliet Londen in december 1825, bracht drie maanden door in Parijs en keerde in april 1826 terug naar Lausanne. Daarna liep hij stage op het kantoor van advocaat Jean Mandrot.

Verkiezing voor de Grote Raad, het Hof van Beroep en de Raad van State
Terwijl hij nog stagiair was, werd hij door de Cercle de Grandcour tot plaatsvervanger gekozen tijdens de gedeeltelijke vernieuwing van de Grote Raad, in april 1828.

Advocaat in augustus, Druey opende een advocatenkantoor in Moudon. Daar ontmoette hij Caroline Burnand, met wie hij op 16 juli 1830 in Villarzel trouwde. Zij stierf op 22 augustus 1842, op 37-jarige leeftijd.

Op 7 mei 1830 werd hij tot rechter bij het hof van beroep gekozen. Omdat de rechtbank in Lausanne was gevestigd, verhuisde het naar de hoofdstad van Vaudois. In december 1830 verzocht een petitie om een ​​grondwetgevende vergadering en hij werd secretaris van de commissie die verantwoordelijk was voor het opstellen van de ontwerpgrondwet van Vaud. Dit zal in juni 1831 door het volk worden aangenomen. Als lid van de nieuwe Grote Raad, gekozen in juli, wordt hij in augustus benoemd tot lid van de Raad van State. Hij is vertegenwoordiger van de conservatieve partij en staat mede aan het hoofd van de Militaire Afdeling. Tot 1845 was hij tevens voorzitter van de Gezondheidsraad.

Samen met Charles Monnard vertegenwoordigde hij in 1832 voor het eerst het kanton Vaud in de Federale Rijksdag. Hij zat daar ook in 1839, 1841, 1845, 1846 en 1847.

Druey's politieke ideeën evolueerden. Hij distantieert zich geleidelijk van de rest van de liberale Raad van State, en beweertstevig als leider van de linkervleugel van de Liberale Partij, die de Radicale Democratische Partij zou worden, en pleitte voor volledige volkssoevereiniteit en oppositie tegen de aristocratische en religieuze klasse. Hij vroeg dat de debatten van de Grote Raad en de Raad van State openbaar zouden worden gemaakt en stelde ook vrouwenstemrecht in kerkelijke aangelegenheden voor, de benoeming van officieren door de troepen en verkiezingen op zondag zodat arbeiders konden deelnemen. Zijn tegenstanders noemen hem een ​​socialist, zelfs een communist.

In 1836 kozen zes kringen hem bij de algemene verkiezingen voor de Grote Raad. Hij is voorzitter van het Centraal Comité van de Swiss Rifle Society en het Organisatiecomité van Federal Shooting. De populariteit ervan groeit. Tegelijkertijd leidde hij een carrière als activistisch journalist en schreef hij sinds 1832 regelmatig in de Nouvelliste vaudois. Nadat Charles Monnard de krant in 1833 verliet, maakte hij er zijn persoonlijke column van en werd hij directeur in 1836.

Radicale revolutie van 1845 -- Op 14 december 1839 kondigde de nieuwe wet van de kerkelijke organisatie, die de Zwitserse geloofsbelijdenis afschafte en de Kerk ondergeschikt maakte aan de staat, volgens de wens van Druey, een religieuze crisis aan. In 1841 was de Radicale Partij goed vertegenwoordigd in de Grote Raad en werd Druey herkozen door de Cercle de Lausanne. Hij koos officieel partij tegen de Sonderbund van de katholieke kantons. Hij was een invloedrijk lid van de Patriotic Association, opgericht door radicale leiders in 1844, om de Grote Raad te vragen dat zijn vertegenwoordigers in de Federale Rijksdag voor de uitzetting van de jezuïeten zouden stemmen. Onder leiding van Druey en Louis-Henri Delarageaz organiseerde de radicale oppositie volksvergaderingen. Ondanks alles weigerde de Grote Raad op 13 februari 1845, in naam van de godsdienstvrijheid en de kantonale soevereiniteit, de verdrijving van de jezuïeten uit Luzern, aangevraagd door een petitie met 32.000 handtekeningen. In de nacht van 13 op 14 februari 1845, terwijl Druey deelnam aan een bijeenkomst om de indieners tegen de katholieken te steunen, trokken de revolutionairen Lausanne binnen. De liberale Raad van State geeft toe. Druey, die is afgetreden, kondigt aan dat de regering haar taken neerlegt. Er wordt een voorlopige regering gevormd. Druey nam op 15 februari het roer over als directeur. Hij stemde op de Place de la Riponne, in het bijzijn van duizenden Vaudois, voor de ontbinding van de Grote Raad.

De nieuwe Raad van State, gekozen op 3 maart 1845, was volkomen radicaal. Druey is de president. De vergadering stemt over een nieuwe grondwet, waaraan Druey actief werkt. De vrijheden van godsdienst en vereniging die hij voorheen verdedigde, zijn daar niet gegarandeerd. Gezien de belangrijke reacties die deze bepalingen oproepen, vooral in kerkelijke en intellectuele kringen, vraagt ​​Henri Druey de predikanten om op zondag 3 augustus een proclamatie voor te lezen die de kiezers verplicht de Grondwet te aanvaarden. Ongeveer veertig van hen weigeren toe te staan ​​dat de staat zich op deze manier met de Kerk bemoeit. De tekst wordt niettemin gesteund door decaan Louis-Auguste Curtat. De grondwet werd op 10 augustus 1845 aanvaard.

Vervolgens werd hij een invloedrijk lid van de commissie die verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van de nieuwe federale grondwet van 1848. Hij was de Franstalige rapporteur voor de Rijksdag.

Verkiezing voor de Federale Raad
Op 16 november 1848 werd hij verkozen tot lid en vice-president van de 1e Federale Raad. Daarom nam hij eind dit jaar ontslag bij de Raad van State, waar hij zeventien jaar had gediend. Hij zal in 1850 het presidentschap van de Confederatie op zich nemen.
In de nacht van 17 op 18 maart 1855 kreeg hij een beroerte en verloor hij zijn spraakvermogen. Hij stierf op 29 maart 1855. Hij werd op 2 april begraven op de Faoug-begraafplaats, waar een monument ter nagedachtenis aan hem werd opgericht.
Als vrijmetselaar is hij lid van de loge Espérance et Cordialité van Lausanne, behorend tot de Zwitserse Grootloge Alpina.
Toponiem -- Lausanne heeft een Avenue Henri-Druey, die loopt van de rue de la Pontaise tot de Chemin des Grandes-Roches, bij gemeentelijk besluit van 1898, op verzoek van de Vrienden van Pontaise.

(3) Henri Druey
...  was een Zwitserse advocaat, filosoof en politicus. Vanaf 1831 was hij een van de leidende politici in het kanton Vaud, en in 1848 werd hij verkozen tot een van de eerste federale raadsleden van de Zwitserse deelstaat. Druey was een vertegenwoordiger van de radicale liberale factie (de huidige FDP) en wordt beschouwd als een van de ‘vaders’ van de Zwitserse federale grondwet.
Hij was de zoon van de herbergier Jean-Daniel Druey en Suzanne-Catherine Langel en kwam uit de gemeente Faoug aan het Murtenmeer. Druey studeerde rechten aan de Academie in Lausanne. Nadat hij in 1820 het staatsexamen had afgelegd, verhuisde hij naar Berlijn en studeerde filosofie aan de Humboldt Universiteit onder Georg Wilhelm Friedrich Hegel. Andere stations waren onder meer de universiteiten in Tübingen en Heidelberg. In 1821 werd hij lid van de broederschap van Tübingen en in 1822 van de broederschap Oud-Heidelberg. Hij voltooide zijn opleiding in Parijs, waar hij persoonlijkheden als François-René de Chateaubriand en Benjamin Constant ontmoette. Na een verblijf in Londen keerde Druey in 1826 terug naar Lausanne en voltooide daar een juridische stage. In 1828 werd hij toegelaten tot de balie, opende een advocatenkantoor in Moudon en werd verkozen tot lid van de Grand conseil, het kantonale parlement van Vaud. Vanaf 1830 werkte hij als rechter in hoger beroep; In hetzelfde jaar trouwde hij met Caroline Burnand, het echtpaar bleef kinderloos.

Kantonale politiek
Onder invloed van het hegeliaanse denken achtte Druey het, ondanks zijn liberale kijk, niet gepast om tegen de conservatieve kantonnale regering van Jules Muret te vechten. Hij was ervan overtuigd dat de meerderheid van de bevolking achter de regering stond en dat de liberale beweging nog niet representatief was. Om deze reden nam hij niet deel aan de staatsgreep van 18 december 1830, toen de liberalen onder leiding van Charles Monnard de macht grepen. Druey kwam echter al snel tot het besef dat de verandering echt door de meerderheid gewenst was en stemde ermee in om gekozen te worden in de Raad van State (Conseil d'État). Na de verkiezingen sloot hij zich aan bij de Radicalen, de linkervleugel van de liberale beweging, en vertegenwoordigde in 1832 als afgevaardigde het kanton Vaud.

Druey's eisen - sterkere centralistische instellingen en de herziening van het federale verdrag van 1815 - werden door de gematigd liberale kantonregering verworpen, zodat zijn regeringscollega's hem in 1833 voor vijf jaar uit de wetgevende macht uitgeslotenen. Niettemin werd hij als bemiddelaar gebruikt in het conflict over de scheiding van de kantons in Bazel. Samen met zijn vriend Ignaz Paul Vital Troxler uit Luzern richtte Druey de Zwitserse Nationale Vereniging op, die bestond van 1835 tot 1839. Vanaf 1836 leidde hij de krant Nouvelliste vaudois, waarmee hij zijn vraag naar individuele vrijheden verspreidde. Hoewel hij zelf zeer religieus was, pleitte hij voor een strikte scheiding tussen kerk en staat. Dit doel werd bereikt met de kerkwet van 1839, die hij aanzienlijk beïnvloedde. Daarnaast hield hij zich bezig met wetgeving op het gebied van onderwijs, wegenbouw en jurisprudentie. Hij slaagde er echter niet in om bij de herziening van de kantonnale grondwet van Vaud in 1845 rekening te houden met de directe democratie of het recht op werk. Ook verdiende hij de reputatie socialist of zelfs communist te zijn, omdat hij onder meer pleitte voor een progressieve inkomstenbelasting en de omvorming van pastoriehuizen in welzijnsinstellingen.

Nadat het kanton Luzern in 1844 jezuïeten op hogere scholen had benoemd, riep een door 30.000 mensen ondertekende petitie op tot hun uitzetting. Met betrekking tot de autonomie van de kantons weigerde de meerderheid van de kantonregering van Vaud te beslissen over dwangmaatregelen. Samen met Louis-Henri Delarageaz richtte Druey vervolgens de radicale Association Patriotique op, die op 14 februari 1845 de regering omver wierp en vervolgens een nieuwe kantonnale grondwet opstelde. Druey was nu onbetwist de leidende persoon in de kantonale regering. Vanuit een sterke positie dwong hij het aftreden af ​​van al die predikanten die hadden geweigerd vanaf de kansel een proclamatie ten gunste van de Grondwet voor te lezen.

Federale politiek
Na de overwinning van de radicale liberale kantons in de Sonderbundoorlog werd Druey eind 1847 gekozen tot lid van de commissie om het federale verdrag te herzien. Als verslaggever in het Frans speelde hij een belangrijke rol bij het opstellen van de federale grondwet. Er werd rekening gehouden met veel van zijn ideeën voor een federale staat. Hij zou de voorkeur hebben gegeven aan een eenkamerstelsel; Hij aanvaardde echter het tweekamerstelsel, dat uiteindelijk werd geïmplementeerd in de lijn van de Amerikaanse grondwet.

Omdat hij ervan overtuigd was dat met de Nadat de federale grondwet haar doelstellingen had bereikt, wilde Druey zich terugtrekken uit de federale politiek. Hij was ook bezorgd dat het radicale regime in Vaud geenszins veilig was. Bijgevolg stelde hij zich niet kandidaat voor de Nationale Raad en weigerde hij zijn verkiezing tot lid van de Raad van Staten door het kantonale parlement te aanvaarden. Hij benadrukte herhaaldelijk zijn onwil om politiek actief te worden in de federale hoofdstad Bern, maar liet zich vervolgens overtuigen. Hij werd op 16 november 1848 tot derde lid van de Federale Raad gekozen. In de eerste ronde kreeg hij 76 van de 132 uitgebrachte stemmen (18 stemmen gingen naar Jakob Robert Steiger en 38 naar verschillende andere mensen).

Federale Raad
Druey nam het ministerie van Justitie en Politie over en was tijdens zijn eerste ambtsjaar ook vice-president. Als minister van Justitie had hij vooral te maken met het probleem van de duizenden vluchtelingen die na de mislukte liberale revoluties naar Zwitserland kwamen. Hoewel hij opdracht gaf tot de uitzetting van verschillende revolutionairen zoals Johann Philipp Becker, Karl Heinzen en Giuseppe Mazzini, kon hij deze maatregel niet ten uitvoer leggen omdat het vluchtelingensysteem uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van de kantonnale politieautoriteiten viel en de genoemde personen de bescherming genoten van individuele kantonale regeringen (vooral Genève en Vaud). De situatie escaleerde na de onderdrukking van de revolutie in Baden, vooral omdat de aanwezigheid van vluchtelingen de betrekkingen met Pruisen en Oostenrijk ernstig onder druk zette. Op voorstel van Druey besloot de Federale Raad op 16 juli 1849 de belangrijkste vluchtelingen te verdrijven, waarop beide parlementaire kamers hun toestemming gaven.

In 1850 was Druey bondspresident en leidde als zodanig de politieke afdeling (ministerie van Buitenlandse Zaken), zoals destijds gebruikelijk was. Daarbij demonstreerde hij diplomatieke vaardigheden jegens de grote Europese mogendheden. Zo verwierp hij de poging van Pruisen om het verlies van het kanton Neuchâtel in verband te brengen met de vluchtelingenkwestie. Ook kon hij een handels- en nederzettingsovereenkomst met de VS sluiten. In 1851 leidde Druey de financiële afdeling en voerde de introductie van de Zwitserse frank uit, voorbereid door Josef Munzinger. In 1851 en 1854 nam hij deel aan de destijds gebruikelijke gratis verkiezingen in het kiesdistrict Vaud-Nord.

In 1852 leidde Druey voor de tweede keer het departement Justitie en Politie en kreeg hij vooral te maken met de langetermijngevolgen van de Sonderbundoorlog. De gehele oorlogsschuld werd op de verslagen kantons gelegd. Nu eisten ze dat de resterende schuld kwijtgescholden zou worden. Samen met Ulrich Ochsenbein vocht Druey tegen dit verzoek. Hij deed dit niet uit financiële overwegingen, maar eerder uit principe: alleen als de sanctie tot het einde toe werd gehandhaafd, kon er een voorbeeld worden gesteld. Druey en Ochsenbein hadden niet de overhand met hun standpunt; Bij resolutie van de Federale Vergadering van 13 augustus 1852 werden de zeven voormalige Sonderbund-kantons vrijgesteld van het betalen van de rest van hun oorlogsschuld.[8] In 1853 nam Druey de financiële afdeling weer over, waardoor hij een stapje terug kon doen. Zijn weigering om het Ohmgeld af te schaffen was controversieel en stuitte op onbegrip, vooral in zijn thuiskanton. Twee weken voor zijn 56e verjaardag stierf Druey op het werk aan een beroerte.

(4) Gabriel Fragnière

 (Lausanne, 4 maart 1934 - Sint-Lambrechts-Woluwe, 9 september 2015) was een Zwitsers wetenschapper en hoogleraar. Fragnière werd Licentiaat Wijsbegeerte en Letteren aan de Universiteit van Lausanne. Hij volgde het postuniversitair jaar aan het Europacollege in Brugge (1959-1960) en werd daarop assistent van de rector en directeur van de studies in dit College (1961-1966). Hij vervolgde met twee jaar studie in de Verenigde Staten over de geschiedenis van de religies (1966-1968). In 1993 behaalde hij het doctoraat in de filosofie aan de Universiteit van Maastricht.

De carrière van Fragnière heeft zich afgespeeld op het Europese niveau, in de domeinen van onderwijs, beroepsopleiding, universitaire samenwerking en sociale politiek. Hij was uitgever van European Journal of Education (voordien Paedagogica Europea),  ... eerste voorzitter van de vereniging Forum Europe des Cultures, gewijd aan de verdediging en promotie van de Europese culturele diversiteit, 2002-2005 (interim-voorzitter in 2009), voorzitter van Mémoire d’Europe, vereniging gewijd aan het bijstaan van de Europese burgers om beter hun identiteit en hun gemeenschappelijke geschiedenis te leren kennen, ...
Publicaties
  • Le royaume de l’homme, Essai sur la religion et la démocratie, Genève, 1973.
  • A University of the Future, Springer Verlag, 1974.
  • L’homme et la vie, Biologie contemporaine et éthique, Parijs, 1978).
  • (samen met Kaj Doorten) Employment and youth policy, European Centre for Work & Society, 1983.
  • The Future of Work: Challenge and Opportunity, Van Gorcum Ltd, 1984.
  • Stefan Zweig… ou espérer l’Europe et en mourir, Portraits d’Européens, PIE, 1993.

(5) Ferdinand Gonseth

 - Geboren Sonvilier, 22 september 1890. Overleden in Lausanne, 17 december 1975. Zwitserland
Functie Filosoof, Wiskundige. Discipline Wetenschapsfilosofie, Wetenschapsgeschiedenis. Westerse filosofie. Beïnvloed door Marcel Grossmann, Louis Kollros. Beïnvloedde Gaston Bachelard.
... was een Zwitsers filosoof en wiskundige. Hij hield zich in zijn werk voornamelijk bezig met de relatie tussen de wetenschappen en de filosofie, mede naar aanleiding van de crisis die aan het begin van de 20e eeuw in de grondslagen van de wiskunde speelde. Zo publiceerde hij in 1926 zijn Les fondements des mathématiques.
Hij gaf zijn eigen denken de naam van idonéisme, gebaseerd op de Franse term idoine (geschikt). Hij stond een open methodologie of 'open filosofie' (philosophie ouverte) voor in de wetenschappen, die niet uitging van bepaalde 'a priori'-categorieën. Filosofie en wetenschap houden zich met dezelfde werkelijkheid bezig en filosofie moet zich dan ook spiegelen aan de (open) methoden van de wetenschap. In zijn latere leven ging hij zich ook richten op de sociale wetenschappen en probeerde daar dezelfde methodologie toe te passen. Volgens Gonseth moest men ook de oplossingen voor de hedendaagse maatschappelijke problemen zoeken in de wetenschappen.
Samen met Gaston Bachelard en Paul Bernays richtte Gonseth in 1947 het tijdschrift Dialectica op.

Bibliografie
  • Les fondements des mathématiques – De la géométrie d'Euclide à la relativité générale et à l'intuitionnisme de Brouwer (1926)
  • Les mathématiques et la réalité – Essai sur la méthode axiomatique (1936)
  • Qu'est-ce que la logique ? (1937)
  • Philosophie mathématique (1939) (met G.H. Müller)
  • ... [Franse pagina iets uitgebreid, DUITS Nauwelijks!! ]

(6) - Jeanne Hersch

Jeanne Hersch (geboren 13 juli 1910 in Genève; overleden daar op 5 juni 2000; woonachtig in Genève) was een Zwitserse filosoof, pedagoog en schrijver. Was een dochter van Liebmann Hersch, hoogleraar demografie en statistiek aan de Universiteit van Genève, en zijn vrouw Liba Hersch-Lichtenbaum, arts op de afdeling ontwapening van de Volkenbond. Haar ouders waren Pools-Joodse immigranten - de vader kwam uit Pamūšis in Litouwen en de moeder uit Warschau. Beiden emigreerden in 1904 vanuit Warschau naar Zwitserland. Ze waren lid van de Algemene Joodse Arbeidersvereniging, die Joodse socialistische groepen uit Rusland en Polen samenbracht om te strijden voor een sociale, economische en educatieve verbetering voor Joden onder het bewind van de tsaar. Haar zus Irène werd geboren in 1917 en haar broer Joseph in 1925. In 1928 voltooide Jeanne Hersch de middelbare school bij haar Matura en begon literatuur te studeren bij André Oltramare in Genève. In het zomersemester van 1929 studeerde ze filosofie bij Karl Jaspers in Heidelberg. In 1931 verwierf ze het Zwitserse staatsburgerschap van haar geboorteplaats Genève.

In 1931 slaagde ze voor haar staatsexamen in de literatuurwetenschappen in Genève met het proefschrift Les images dans l'oeuvre de M. Bergson. Dit werd gevolgd door twee jaar postdoctorale studie aan de École Pratique des Hautes Études in Parijs in 1931, bij Karl Jaspers in Heidelberg in 1932 en bij Martin Heidegger in Freiburg im Breisgau in 1933. Van 1933 tot 1956 doceerde ze Frans, Latijn en filosofie als lerares op een middelbare school aan de Ecole Internationale (Ecolint) in Genève. In 1935 gaf ze les als privéleraar in Chili en reisde ze naar Latijns- en Noord-Amerika. Tijdens de zomervakantie van 1936 studeerde ze bij Gabriel Marcel in Parijs. In 1938/1939 vergezelde ze de koninklijke familie in Thailand als privéleraar voor hun drie kinderen, waaronder de toekomstige koning Bhumibol als jongste. Van 1942 tot 1946 nam ze deel aan het doctoraalcolloquium van de filosoof Paul Häberlin, de voorganger van Karl Jaspers, aan de Universiteit van Bazel. Häberlin's Lucerna Foundation ondersteunde haar proefschrift met een studiebeurs.

Het graf van Jeanne Hersch, op het Cimetière des Rois in Genève
In 1946 behaalde ze haar doctoraat in de filosofie aan de Universiteit van Genève met het proefschrift L’être et la forme. Ze gaf daar vanaf 1947 les als privédocent, vanaf 1956 als hoogleraar en van 1962 tot 1977 als hoogleraar aan de leerstoel Systematische Filosofie. Als gastprofessor gaf ze les aan de Pennsylvania State University in 1959, aan het Hunter College van de State University of New York in 1961, aan de Colgate University in Hamilton in 1978 en aan de Université Laval in Quebec.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende Hersch haar geadopteerde thuisland vrijwillig in de Women's Auxiliary Service (FHD) en tijdens de Koude Oorlog in de geheime speciale dienst van de subgroep Inlichtingen en Defensie.

Van 1966 tot 1968 was zij directeur van de afdeling Wijsbegeerte van UNESCO in Parijs. In 1968, ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van de VN-Verklaring van de Rechten van de Mens, publiceerde ze het basiswerk The Right to Be Human. Ze was van 1970 tot 1976 lid van de Zwitserse UNESCO-commissie en van 1970 tot 1972 van de Raad van Bestuur.

Jeanne Hersch was lid van de Cusine des Exilés, de Stiftung Pour l'avenir, de Société suisse de philosophie, de Société des écrivains suisses, het Comité des Rencontres Internationales de Genève, de Conseil de la Fondation Pro Helvetia en de Union of European Federalists. Van 1973 tot 1994 was zij voorzitter van de Karl Jaspers Foundation in Bazel.

Tot haar binnenste kring van vrienden en dialoogpartners behoorden onder meer de Nobelprijswinnaar voor de literatuur Czesław Miłosz, de Franse jezuïet en filosoof Gaston Fessard en de Geneefse onderwijsdirecteur en literatuurprofessor André Oltramare, die ook haar levenspartner was van 1942 tot aan zijn dood in 1947.

Werk. 
Ervaren tijd: totalitarisme en existentiële vrijheid
De verhalen van haar vader over zijn teleurstelling tijdens de reis naar Rusland, toen hij hoorde van de omverwerping van de sociaal-revolutionair Kerenski en de machtsovername door de bolsjewieken, vormden haar afkeer van totalitaire regimes en motiveerden haar levenslange strijd voor persoonlijke en sociale vrijheid.

Haar ontmoeting met de existentiële filosoof Karl Jaspers in Heidelberg in 1932 vormde haar filosofische levenswerk. Ze werd zijn leerling en hij bleef haar levenslange rolmodel. Voor hen was de filosofie van Jaspers het ‘Koninkrijk van de Vrijheid’. Hersch vertaalde de werken van Jaspers en maakte hem in de Franse wereld bekend als een sociaal alternatief voor Sartres versie van het existentialisme. Net als Hannah Arendt had zij zijn filosofie toegepast in plaats van deze theoretisch te hebben geleerdonderontwikkeld. Jaspers betekende voor haar geleefde helderheid, als voorwaarde voor waarheid en eerlijkheid. Het was de existentialistische, antitotalitaire filosofie van de Duitse filosoof die diepe indruk op haar maakte:

"Ik ben dankbaar dat er bij hem niet alleen een objectieve, feitelijke, representatieve veiligheid bestaat, maar ook een existentiële veiligheid, die gebaseerd is op het feit dat de mens zich daaraan verbindt en erdoor veranderd en ondersteund wordt. Eigenlijk betekent het dat het bestaan ​​van helderheid houdt, als van de aanwezigheid van het zijn."

– Jeanne Hersch. In Freiburg, waar ze de lezingen van Martin Heidegger bijwoonde, was ze getuige van de opkomst van Hitler aan de macht.

Filosofie als toewijding aan de waarheid
Deze diepgaande ervaringen hebben haar gemotiveerd om fel stelling te nemen tegen elke vorm van propaganda en politieke leugens. Destijds begreep ze dat iedereen die niet zelf zou kiezen waar hij zou vechten, zolang hij maar de democratische kans had om dat te doen, door politici als een kiezelsteen zou worden gerold.

Als jonge lerares publiceerde ze in 1936 haar eerste filosofische boek L'illusion philosophique, waarmee ze de Prix Amiel won. Daarin portretteerde ze de geschiedenis van de filosofie sinds Plato en Aristoteles als een keten van gerelativeerde illusies die alleen zou worden opgelost met het besef van Jaspers dat er niets bekend kon worden. Dit gaf Hersch de kans om vrijheid tot uitgangspunt van al het denken te verklaren en er de basis van haar eigen filosofie van te maken.

Filosofie als verantwoordelijkheid jegens mensen
In 1968 publiceerde zij namens UNESCO, ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, haar boek Le droit d'être un homme (Het recht om mens te zijn), waarin zij documenten bevatte over recht, filosofie en poëzie uit een grote verscheidenheid aan landen en culturen en waarmee zij liet zien dat mensenrechten in alle culturen voorkomen en dus universeel zijn en dat de existentiële vrijheid aan de mens toekomt omdat hij een mens is. Voor dit boek ontving ze de Mensenrechtenprijs en de Karl Jaspers Prijs.

Voor hen was filosofie een toewijding aan de waarheid en verantwoordelijkheid tegenover mensen. Ze liet zich niet intimideren door persoonlijke vijandelijkheden en voerde herhaaldelijk campagne daar waar mensen het slachtoffer zouden worden van publieke campagnes, bijvoorbeeld voor Elisabeth Kopp[6], het eerste vrouwelijke bondsraadslid in Zwitserland, en voor Peter Regli, het hoofd van de Zwitserse inlichtingendienst.

Ze rechtvaardigde haar scepsis ten aanzien van de tijdgeest en haar “vroegtijdige” overwegingen als volgt:

“Als je je uitspreekt over een onderwerp dat momenteel brandt, moet je altijd tegen de stroom in spreken.”

– Jeanne Hersch.[7]
Ze accepteerde de strijd tegen de standpunten van haar eigen partij – de sociaal-democraten – als ze iets als juist beschouwde: ze pleitte bijvoorbeeld voor het gebruik van kernenergie, een adequate nationale defensie en tegen de legalisering van drugs. Voor Hersch ontkenden drugs de mensenrechten en de essentiële menselijkheid, omdat ze mensen afhankelijk en onvrij maakten. Ze begeleidde de vrouwenbeweging net zo kritisch en constructief als de beweging van '68 en de jeugdbeweging in Zürich.

Pedagogiek als onderwijs voor verantwoorde vrijheid
Hersch doceerde niet alleen filosofie, maar werkte ook 22 jaar als docent aan de Ecole Internationale in Genève, opgericht in 1924. De “Ecolint” was een hervormingseducatief project van de Volkenbond, de Internationale Arbeidsorganisatie, het Jean-Jacques Rousseau Instituut aan de Universiteit van Genève en de hervormingspedagoog Adolphe Ferrière. Haar ervaringen, lang vóór de hervormingen van de jaren zestig, maakten haar tot een fervent criticus van de hervormingspedagogie. Voor hen bestond de hervormingspedagogie van de twintigste eeuw uit een keten van misplaatste pedagogische concepten.

Ze bestreed het concept van het ‘nieuwe onderwijs’, dat gebaseerd is op het zelfstandig leren van kinderen, door te zeggen dat als kinderen net zo vrij zouden zijn als volwassenen, onderwijs onnodig zou worden.

“Onderwijs veronderstelt geen enkele dogmatische leer als enige mogelijke weg, of enig sociaal model als de enige juiste. Nee, het zou alleen maar de kansen op verantwoordelijke vrijheid voor ieder mens zo veel mogelijk moeten vergroten.”
...  Jeanne Hersch groeide op met het socialisme. Haar ouders waren Poolse sociaal-revolutionairen, die haar niet alleen haar socialistische toewijding bijbrachten, maar ook scepsis jegens elke vorm van utopie. Op jonge leeftijd bezocht ze de “Foyer socialiste international”, opgericht door André Oltramare in 1927, waar ze haar politieke opleiding ontving om sociale en politieke problemen te begrijpen. In haar boek “The Ideologies and Reality” uit 1957 probeerde ze een “bijdrage te leveren aan de vernieuwing van haar onderwijsstructuur” tegen het “ideologische falen van het hedendaagse socialisme”. Hun conclusies zijn dat het socialisme zich moet inzetten voor antidogmatisme en vrijheid. Het socialisme heeft geen filosofisch of religieus credo en zou er ook geen moeten hebben. Socialisten zouden echter kunnen terugvallen op een absolute en onvoorspelbare waarde: de vrije en verantwoordelijke menselijke persoon. Zij zijn echter niet bevoegd dit absolute aan anderen op te leggen of nauwkeuriger te bepalen.
 
Het filosofische wonder -- De filosofie en het leven van Jeanne Hersch vertonen veel overeenkomsten met Socrates, die zij beschreef in haar boek “The Philosophical Amazement”. Dit leverde haar de reputatie op van een “vrouwelijke Socrates”. Zijn belangrijkste filosofische vraag: “Hoe moet ik leven om naar het goede te leven?” was ook haar leidmotief.
Wat ze gemeen hebben is de zoektocht naar waarheid gebaseerd op de morele verplichting voor het ware goede, handelend in de geest van deze kennis, de kwestie van de rechtvaardige orde in de staat (polis) en de educatieve zorg om de ziel vorm te geven door middel van het denkproces.
Voor Socrates en Hersch is ‘filosofische waarheid’ een existentiële waarheid die zowel theoretisch als praktisch is. Het bestaat alleen als het verbonden is met de verantwoordelijke, vrije mensheid en haar erkenning en actie om het diepere gevoel van het ware goede te doen ontwaken en in praktijk te brengen. Volgens Hersch gaat Socrates' 'Ken uzelf' niet simpelweg over 'spiegelen' of 'kijken', maar over het ondernemen van actie.
Volgens hen is de wortel van de natuur- en geesteswetenschappen ook moreel. Het rigoureus testen van de hypothesen vindt plaats omdat de wetenschapper moreel verplicht is zo zeker mogelijk te zijn over wat waar is.
Er wordt gezegd dat Socrates ter dood werd veroordeeld ‘omdat hij de jeugd corrumpeerde’. Volgens Jeanne Hersch gebeurde dit omdat hij alles in twijfel trok: de aard van de macht, het recht op macht, enz. Zijn vragen waren breed en politiek significant.

De vragen en het politieke werk van Jeanne Hersch werden niet altijd goed ontvangen. Haar lezingen over de achtergronden van jeugdonrust werden vaak verstoord of verhinderd door jongeren. Er zitten verborgen toespelingen in de receptie die haar verbazenpiel ontkent het vermogen om de achtergrond van de jeugdonrust “juist” te begrijpen: Voor de biograaf Charles Linsmayer is het duidelijk dat “zo’n vaststaand wereldbeeld in de loop van de tijd verouderd zal raken”:

"De grote periode van Jeanne Hersch was eigenlijk de tijd na de Tweede Wereldoorlog. Later was ze vanwege haar zeer intelligente manier van denken, maar die vastzat in een gesloten systeem, niet langer in staat alles zo direct, spontaan en pragmatisch te begrijpen als jongere mensen dat konden."

Haar strijd voor vrijheid en tegen onrecht kwam tot uiting in haar talrijke boeken, krantenartikelen en lezingen. Haar heldere en eenvoudige taalgebruik maakte haar tot een bestsellerauteur. Ze was vooral gekant tegen elke vorm van doctrinair en totalitair denken. Hun fundamentele thema was vrijheid, spirituele, existentiële, werkelijk menselijke vrijheid, die alleen kan worden ontwikkeld in een vrije, democratische rechtsstaat waar de mensenrechten worden gerespecteerd en beschermd. Zij heeft zich altijd resoluut ingezet voor het behoud van deze rechtsstaat.

In haar talrijke lezingen wist ze het publiek te raken met haar heldere taal:
  • "Een koe staart, maar de mens kan de wereld met verwondering en vragen tegemoet treden omdat hij rede heeft en omdat hij de vrijheid heeft om te beslissen. Misschien beslist hij niet, maar hij zou wel kunnen beslissen. Daardoor is hij ook verantwoordelijk voor hoe hij beslist."
Werk 
  • De illusiefilosofie. Parijs: Alcan, 1936.
  • Karel Jaspers. Lausanne, Uitgave L'Âge d'Homme, 1979 en 2007.
  • ...

(7) Dennis de Rougemont

Biografie. Geboorte - 8 september 1906, Couvet, kanton Neuchâtel, Zwitserland. Dood - 6 december 1985 (op 79-jarige leeftijd). Genève, Zwitserland. Universiteit van Neuchâtel. Activiteit - literair directeur, vertaler, professor. Belangrijkste werken
  • Politiek van de persoon (1934)
  • Denken met je handen (1936)
  • Liefde en het Westen (1939)
  • De toekomst is ons bedrijf (1977)
Denis de Rougemont is de zoon van Georges de Rougemont, pastoor, en Alice, geboren Bovet. De familie Rougemont komt uit Saint-Aubin bij Neuchâtel. In 1784 ontving het “erkenning van oude adel” van koning Frederik II van Pruisen (Neuchâtel was toen een Pruisisch vorstendom). Leden van de familie Rougemont maakten deel uit van de Staatsraad van Neuchâtel.
Denis de Rougemont woont met zijn twee zussen en zijn broer in het burgerlijk huis van zijn ouders in Areuse, een gehucht gelegen tussen Boudry en Neuchâtel. Van 1912 tot 1918 bezocht hij de lagere school in Couvet. Deze ervaring zou later de inspiratie vormen voor Les Méfaits de l'Instruction publique (1929), een pamflet over de anti-educatieve rol van school[4]. Van 1918 tot 1925 bezocht hij het Latijnse College en vervolgens het gymnasium (college) van Neuchâtel, in de wetenschappelijke afdeling. In 1923 schreef hij een eerste artikel over “Henry de Montherlant en de moraal van het voetbal”, gepubliceerd in de Literaire Week van Genève. Van 1925 tot 1927 volgde hij cursussen aan de Universiteit van Neuchâtel, in de Faculteit der Letteren; hij volgde psychologiecursussen en het seminarie van Jean Piaget over genetische epistemologie, en de cursus van Max Niedermann over de taalkunde van Ferdinand de Saussure. Hij trad toe tot de vereniging Belles-Lettres waarvan hij een zeer actief lid was, met name door zijn bijdragen aan de Revue de Belles-Lettres[5]. Tussen 1926 en 1929 ontdekte hij een deel van Europa dankzij reizen naar Wenen, Hongarije, Zwaben, Oost-Pruisen, Baden-Württemberg en het Gardameer (hij beschrijft ze in The Danube Peasant). In 1930 werd het einde van zijn studie bekroond met een graad in letteren.

Professioneel debuut -- In hetzelfde jaar vestigde Denis de Rougemont zich in Parijs, waar hij literair directeur werd van de edities “Je Sers” (die Søren Kierkegaard, Karl Barth, Nicolas Berdiaeff, Ortega y Gasset, enz. publiceerden).

Hij behoorde tot de non-conformistische beweging van de jaren dertig en ontmoette en werkte vervolgens samen met onder meer Gabriel Marcel, Emmanuel Mounier, Alexandre Marc, Arnaud Dandieu en Robert Aron. In 1932 nam hij in Frankfurt deel aan een bijeenkomst van jonge Europese revolutionaire groepen, en vervolgens aan de lancering van twee personalistische groepen en hun tijdschriften, Esprit (met Emmanuel Mounier en Georges Izard) en de Nieuwe Orde (met met name Robert Aron, Arnaud Dandieu, Alexandre Marc). Hij werkt ook samen met het tijdschrift Plans, is mede-oprichter van Hic et Nunc (van de Barthiaanse tendens) met Henry Corbin, Roger Jézéquel (Roger Breuil), Roland de Pury en Albert-Marie Schmidt. Ten slotte werkte hij samen met de Nouvelle Revue française, waar hij in 1932 een “Notitieboekje met eisen van de Franse jeugd” presenteerde.

In 1933 trouwde Denis de Rougemont met Simonne Vion (scheidden in 1951), met wie hij twee kinderen kreeg, Nicolas en Martine.

De edities van “Je sers” gingen datzelfde jaar failliet; Rougemont werd vervolgens werkloos, of beter gezegd ‘op’ de werkloosheid, omdat hij deze periode bevorderlijk achtte voor intellectuele reflecties. Gedurende deze twee jaar, gedeeltelijk in ballingschap op het Île de Ré, schreef Denis de Rougemont het Journal of an Unelozen Intellectual (gepubliceerd in 1937 en ontvanger van de Rambert-prijs van 1938[6])[7]. In 1934 publiceerde hij Politics of the Person, en in 1935 vertaalde hij het eerste deel van Karl Barths Dogmatics.

Tot 1936 was Denis de Rougemont lezer aan de Universiteit van Frankfurt en hoofdredacteur van Nouveaux Cahiers (tot 1939). In 1936 publiceerde hij Thinking with Hands, vervolgens een essay over de Fysiognomische Visie van de Wereld. Van maart tot juni 1938 begon Denis de Rougemont met het schrijven van een van zijn belangrijkste werken, Liefde en het Westen[8]. In oktober van hetzelfde jaar publiceerde hij het Journal d'Allemagne en, in november, het libretto van Nicolas de Flue, oratorium van Arthur Honegger.

Tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog publiceerde hij nog talloze artikelen in Esprit, l'Ordre Nouveau, la Nouvelle Revue française, la Revue de Paris en columns in Le Figaro.

Oorlogsperiode

Denis de Rougemont rond 1940, met zijn handtekening
Rougemont werd in september 1939 gemobiliseerd in het Zwitserse leger. Hij is medeoprichter van de Gotthard Liga, een Zwitserse verzetsgroep tegen het zegevierende Europese fascisme, en hij schreef zijn manifest Wat is de Gotthard Liga?. Toen de Duitsers Parijs binnenkwamen, schreef hij een zeer controversieel artikel in de Gazette de Lausanne (“In deze tijd toen Parijs….”) dat hem – na protesten en druk van de Duitse regering – de toorn van de Zwitserse regering opleverde: hij werd wegens het beledigen van een buitenlands staatshoofd veroordeeld tot vijftien dagen militaire gevangenis, die hij feitelijk thuis doorbracht[9].

Eind augustus 1940 werd Denis de Rougemont zeer officieel (met diplomatiek paspoort) naar de Verenigde Staten gestuurd om conferenties over Zwitserland te geven. Hij vestigde zich in oktober van hetzelfde jaar in de buurt van New York.

Hij is bevriend geraakt met Antoine de Saint-Exupéry en is een van de modellen voor De Kleine Prins. Saint-Exupéry vroeg hem om in hun woonkamer te poseren, zodat hij de illustraties voor zijn toekomstige werk kon tekenen[10].

Na het schrijven en publiceren van The Heart of Europe: Switzerland, woonde hij de première bij van het oratorium Nicolas de Flue in Carnegie Hall. Van juli tot november reist hij naar Argentinië en bezoekt daar de ‘Sur’-kring, bijeengebracht door Victoria Ocampo, waarvan hij de gastheer is. Hij geeft verschillende conferenties en publiceert zijn boek over Zwitserland in het Spaans. Aan de vooravond van de aanval op Pearl Harbor keerde hij terug naar New York. Professor vanaf 1942 aan de École libre des hautes études (Franse universiteit in ballingschap), daarna redacteur bij het Office of War Information, "de stem van Amerika spreekt tot de Fransen", schreef hij in vijf weken The Devil's Part, dat eind 1942 verscheen. Hij wreef samen met Saint-John Perse, Saint-Exupéry, Marcel Duchamp, André Breton, Max Ernst, André Masson, Bohuslav Martinů, Edgar Varèse, maar ook R. Niebuhr, D. Mac Donald en zelfs graaf Coudenhove-Kalergi, die hij in 1927 al in Wenen had ontmoet tijdens zijn eerste reizen. Vervolgens stelde hij voor dat hij zijn tijdschrift PanEuropa in “correct Frans” zou zetten…

Na de oorlog had hij een romantische relatie met Consuelo de Saint-Exupéry. In 1946 publiceerde Denis de Rougemont in New York Letters on the Atomic Bomb (geïllustreerd door de Chileense surrealistische schilder Roberto Matta) naar aanleiding van de verwoestingen van Hiroshima en Nagasaki, waardoor hij diep geschokt was.

In april 1946 keerde hij terug naar Europa. Op 8 september 1946 publiceerde hij zijn eerste toespraak over de unie van Europa. Terug in de Verenigde Staten bracht hij vijf dagen door in de gevangenis op Ellis Island, om redenen die nooit zijn opgehelderd. In 1947 ontmoette Rougemont Albert Einstein in Princeton, waar hij de problemen van de unie van Europa besprak. In juli van hetzelfde jaar keerde hij definitief terug naar Europa. Hij vestigde zich in Ferney-Voltaire, in de buitenwijken van Genève, in het “Maison des Bois”, een voormalige boerderij die afhankelijk was van het Château de Ferney, toebehoorde aan Voltaire en vóór de oorlog werd bewoond door zijn vriend, gouverneur Paulding (1897-1965)[12].

Toegewijd aan de Europese opbouw hield Denis de Rougemont eind augustus 1947 de openingstoespraak op het eerste congres van de Europese Unie van Federalisten in Montreux, waaruit in 1948 het Haagse Congres voortkwam, en promootte hij een Europees Cultuurcentrum, waarvan hij later directeur was.

In mei 1948 las Denis de Rougemont tijdens de slotsessie van het Haagse Congres (voorgezeten door Winston Churchill) de Boodschap aan de Europeanen voor, die hij moest schrijven om de betekenis van de demonstratie te verduidelijken. Hij schreef en publiceerde L'Europe en jeux en de Suite neuchâteloise. In november werd hij verkozen tot algemeen afgevaardigde van de Europese Unie van Federalisten. In 1949 opende Rougemont in Genève, onder auspiciën van de Europese Beweging, een studiebureau dat verantwoordelijk was voor de voorbereiding van de Europese Culturele Conferentie. Deze wordt van 8 tot 11 december in Lausanne gehouden onder het presidentschap van Salvador de Madariaga. Denis de Rougemont is de algemeen rapporteur.

In 1950 nam Denis de Rougemont deel aan een bijeenkomst van intellectuelen in Berlijn, waaruit het Congres voor Culturele Vrijheid voortkwam, waarvan hij tot 1966 het uitvoerend comité voorzat. Hij schreef en verspreidde aan de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa de brieven aan Europese afgevaardigden en stelde de oproep op die zou worden voorgelezen namens de 6.000 Europese studenten die voor de Raad van Europa demonstreerden. Hij was voorzitter van de oprichting van het Europees Cultuurcentrum (CEC), waaruit voortkwames van veel Europese instellingen (met name de European Association of Music Festivals, maar ook CERN).

In 1952 trouwde hij met Nanik Repond, dochter van de psychiater André Repond[ref. nodig].

In 1963 ontving hij de Prins-Pierre-de-Monaco-prijs voor al zijn werk, en datzelfde jaar richtte hij het Universitair Instituut voor Europese Studies (IUEE) op, verbonden aan de Universiteit van Genève, dat hij leidde tot zijn pensionering in 1978 en waar hij tot het jaar van zijn dood de geschiedenis van de Europese ideeën en het federalisme doceerde.

In 1967 ontving hij de prijs van de stad Genève[14]. In 1969 geloofde hij “dat we een onvervangbare burgerfunctie voor gewetensbezwaarden moeten erkennen[15]. » Op 17 april 1970 kende de Universiteit van Bonn hem de Robert Schuman-prijs en -medaille toe voor al zijn werk, in het bijzonder voor Twenty-Eight Centuries of Europe en The Chances of Europe, en in zijn hoedanigheid van directeur van het Europees Cultureel Centrum[16]. In 1971 werd hij benoemd tot eredoctor van de rechtenfaculteit van de Europese Unie. Universiteit van Zürich. In de jaren zeventig droeg hij bij aan de ontwikkeling van de milieubeweging: hij was een van de oprichters van de Bellerive Group (1977), een orgaan voor reflectie op de oriëntaties van de industriële samenleving en auteur van baanbrekend werk over de gevaren van kernenergie; ...

Belangrijkste aspecten van het denken van Denis de Rougemont
Denis de Rougemont wordt in het bijzonder beschouwd als een van de grote pionierdenkers van het idee om het Europese federalisme in te voeren, en samen met Alexandre Marc is hij een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het integrale federalisme[18].

Gealarmeerd door het Meadows-rapport, begin jaren zeventig gepubliceerd door de Club van Rome, dacht Denis de Rougemont ook na over de ecologische grenzen van planeet Aarde, die botsen met het Prometheaanse verlangen van samenlevingen die verlangen naar technische vooruitgang en economische groei en zich volkomen onbewust zijn van deze grenzen. Zijn kritiek op de economie in voortdurende groei strekt zich uit tot de technologie zelf, op een manier die geheel parallel loopt met het denken van Jacques Ellul, met wie hij dit thema echter niet rechtstreeks bespreekt[19].

Bibliografie
  • Bruno Ackermann, Denis de Rougemont. Een intellectuele biografie, Genève, Labor et Fides, 1996, 2 delen. Voorwoord door Martine de Rougemont.
  • Bruno Ackermann, Denis de Rougemont. Van de persoon naar Europa, Lausanne, L'Âge d'Homme, 2000[22].
  • ...
  • Jean-Pierre Gouzy, Denis de Rougemont, Europa en de crisis van de 20e eeuw, Europa in vorming, Nice, nr. 3, herfst 2006.
De stad Genève wijdde een straat aan hem in de wijk Petit-Saconnex, vlakbij de PlAce of Nations, waar het Europese hoofdkwartier van de Verenigde Naties is gevestigd. Denis Rougemont ligt begraven op het Cimetière des Rois in Genève.

En dan...
Tariq Ramadan niet overgenomen.  Jean-Jacques Rousseau - en Ferdinand de Saussure.

 --

** - Wikipedia
* - Henri-Frédéric Amiel - Besloten dagboek
Het Journal intime van Henri-Frédéric Amiel (1821-1881) heeft in kringen van literaire lezers de reputatie het omvangrijkste dagboek ter wereld te zijn. Men spreekt dan, met ontzag, over het aantal handgeschreven pagina's - tegen de zeventienduizend. Die reputatie was een mooi geval van napraten. Want vrijwel niemand heeft de schriften waar die pagina's deel van uitmaakten ooit in handen gehad. Wat men van Amiels dagboek kon kennen, was hooguit een selectie.

Het is het curieuze lot van het Journal intime geweest om al vrij spoedig na de dood van Amiel gepubliceerd te worden, maar dan - noodzakelijkerwijs, zou je haast zeggen - in de vorm van een keuze. Die werd gemaakt door Edmond Scherer, theoloog en studievriend van Amiel, tezamen met de vriendin en vertrouwelinge van Amiels laatste jaren, Fanny Mercier.

De door hen bezorgde uitgave, getiteld Fragments d'un journal intime, besloeg twee delen die achtereenvolgens in 1883 en 1884 gepubliceerd werden. Het is vooral aan deze allereerste selectie te danken geweest dat het dagboek van Amiel al snel een fraaie plaats verworven heeft aan het literaire firmament van het fin-de-siècle.

Zowel in deze Franse editie als in vertalingen die daarop gebaseerd waren (en die op hun beurt meestal weer keuzes daaruit bevatten) heeft Amiels dagboek een enorme opgang gemaakt. De editie van Scherer werd een bestseller. Er zijn, gespreid over een paar decennia, een stuk of dertig drukken van verschenen. Overigens laten zich in de verschillende drukken en edities van Scherer allerlei verschijningen en verdwijningen opmerken van fragmenten en passages. Het Journal intime is, ook binnen deze ‘ene’ uitgave, onderhevig aan gedaanteverwisseling. Intussen was het voor zo goed als niemand mogelijk om te beoordelen hoe ‘Scherers Amiel’ zich verhield tot de enige echte. Zoals gezegd verschenen er al snel vertalingen, naar de uitgave van Scherer. Engeland en Amerika, Zweden, Duitsland en Rusland waren van de partij - Nederland geheimzinnig genoeg niet.

De editie van Scherer zou niet de enige blijven. In 1931 verscheen er een nieuwe, omvangrijker, keuze van Bernard Bouvier, wederom onder de titel Fragments d'un journal intime. In diverse landen kwam er een tweede generatie van Amiel-vertalingen tot stand. Weer enige tijd later, tussen 1948 en 1958, publiceerde Léon Bopp een ditmaal driedelige keuze uit Amiels Journal intime. Bovendien werden er enkele complete afzonderlijke jaren uit het dagboek uitgegeven. In sommige landen verscheen een derde generatie van Amiel-vertalingen. Ook werd er wel eens een ‘personale’ lijn gevolgd, door het dagboek heen. Van die mogelijkheid getuigde de uitgave ‘Philine’. Het was kortom nog lang niet afgelopen met Amiel - de Fundgrube van zijn Journal intime bleef uitgaven genereren.

En ten slotte is het dan, tussen 1976 en 1994, zowaar gekomen tot publicatie van het volledige Journal intime - in twaalf dundrukdelen van elk zo'n twaalf-, dertienhonderd pagina's, voorbeeldig voorzien van leeslinten, tijdbalken, registers. Dit monnikenwerk is verricht onder redactie van Bernard Gagnebin en Philippe Monnier. Ik moet zeggen dat ik mijn ogen uit heb gekeken.

Want pas met deze uitgave is het mogelijk geworden om vast te stellen in welke mate iedereen totnogtoe zijn eigen Amiel heeft gehad. Waaraan ik me overigens haast toe te voegen dat het ook werkelijk niet anders kan dan dat eenieder uit Amiel haalt wat van zijn of haar gading is. Het complete dagboek lezen is namelijk een betrekkelijk gekkenwerk dat één op één, zou ik zeggen, niet loont. Er zullen trouwens nog altijd heel weinig mensen zijn die dat doen, of gedaan hebben.

Het dagboek van Amiel kent heel wat ingrediënten. Meer dan eens vindt de lezer er vlijtige en omvangrijke uittreksels van allerlei gelezen studieuze literatuur. Amiel las levenslang adembenemend veel, over de volle breedte en diepte van diverse wetenschappen en literaturen. Vaak bespreekt hij die lectuur nauwgezet. Kritiseren en polemiseren doet hij natuurlijk ook.

Het dagboek is ook de plaats van de intellectuele planning. Er zijn talloze schema's in te vinden van het nastrevenswaardige, ideale, volmaakt georganiseerde lezende en schrijvende leven. Heel vaak blikt Amiel in de maand december terug en vooruit. Een verstrengeling van grote vertwijfeling en goede voornemens is heel karakteristiek voor Amiel die van jongs af geleden heeft, naar eigen zeggen, aan de ziekte van de wilszwakte. Doordat ze tevens iets hebben van een zelf uitgebracht rapport van een soort persoonlijk Centraal Plan Bureau hebben de decemberafleveringen van het dagboek steevast ook iets tragikomisch.

Met een zekere standvastige frequentie denkt Amiel ook na over het vraagstuk van het huwelijk. Heel wat bladzijden bevatten schitterende schema's met argumenten pro en contra, dan wel forse beschouwingen inzake de eisen die men aan een echtgenote dient te stellen. Ook dit is levenslang een probleem gebleven, in die zin dat Amiel nooit getrouwd is. Overigens zou je van ál zijn problemen wel kunnen zeggen dat ze een leven lang mee gingen.

Amiel was al heel jong wees, en werd grootgebracht bij familie. Hij wekt wel eens de indruk dat hij meteen al als zijn eigen grootvader ter wereld is gekomen - met een heel groot denkhoofd, waar de rest van het lichaam bij toeval min of meer aan vast zit. Hij heeft een enorm absorptievermogen op het gebied van kennis. Zijn gelukkigste jaren brengt hij studerend in Duitsland door. Als hij eenmaal hoogleraar filosofie is geworden aan de universiteit van Genève beginnen zijn kwellingen pas goed.

Amiel komt namelijk nooit af. Hij blijft schema's maken en eisen stellen, maar werkelijk schrijven - althans van wetenschappelijk werk van allure -, daartoe geraakt hij eigenlijk nooit. Als hoogleraar is hij een tegenvaller. Zijn wetenschappelijke publicaties worden algemeen als morsdood beschouwd. Zo ook zijn essays en gedichten. (Hoewel die laatste toch ook contemporaine lezers en liefhebbers moeten hebben gekend, getuige het feit dat in ons land bij voorbeeld Nicolaas Beets gedichten van Amiel vertaald heeft.)

Van jongs af is Amiel gekweld door een matige gezondheid. Hij had het vaak te kwaad met neus en keel; astma en bronchitis vormden de basso continuo van zijn leven. Iets gezondheidsmaniakaals had hij ook. Hij was een groot wandelaar en nam baden in bergbeken, ook 's winters, en dat dan weer ter voorkoming van de nachtelijke zaadlozingen waar hij over in zat. Talrijk en prachtig zijn de passages over het weer, de bergen, de natuur.

In het dagboek staat dus van alles wat het nooit tot enige selectie geschopt heeft. De Amiel waar het zijn bloemlezers om begonnen is, dat is vooral de zelfbeschouwer. Het mooist is zijn dagboek, op talloze plaatsen, waar het zich loszingt tot de plaats waar Amiel zich tot niets verplicht heeft hoeven voelen. Op de vrijplaats van zijn dagboek raakt zijn denken in een soevereine beweging. De Amiel die in elk van de gemaakte selecties op de voorgrond treedt is de denker over ik en wereld, of liever ik en universum - en in zekere zin zelfs: het ik als universum.

Lezen in Amiel is bij uitstek een bladerende, eclectische bezigheid; zoals je poëzie leest of Pascal, Montaigne of Nietzsche. Dat daarbij elke samensteller van weer een ‘nieuw’ dagboek van Amiel tot op grote hoogte zijn eigen gang kan gaan, is een verdienste van dit denken zelf, dat per passage een hoog soortelijk gewicht heeft en zich ook daardoor heel goed in flarden laat lezen. Amiel is vaak van een zodanige volheid, ook stilistisch, dat je in dit hooi, om zo te zeggen, een, twee schelfjes werkelijk helemaal niet mist.

Dat werd me nog eens extra duidelijk toen ik onlangs een curiosum in handen kreeg, namelijk de Amiel van Tolstoj. Tolstoj had vanaf het moment waarop hij de literatuur afzwoer nog maar een heel klein plankje boeken binnen handbereik: de Duitse Brockhaus encyclopedie enerzijds, Marcus Aurelius, Pascal en Amiel anderzijds. Hij maakte een keuze uit Scherers editie, die door zijn dochter in het Russisch vertaald is. Die keuze nu is door toedoen van de Zwitserse slavist Felix Philipp Ingold - uit het Frans - in het Duits vertaald, en via deze u-bocht opnieuw in Zwitserland beland. (Bij de Züricher uitgeverij Pendo, eind vorig jaar.) Weer keek ik mijn ogen uit. Waar Edmond Scherer al flink had gedonderjaagd met de tekst, daar had Tolstoj dat nog eens dunnetjes overgedaan. Schrappen, inkorten, verplaatsen, compleet herschrijven: het komt allemaal om de haverklap voor.

Ieder zijn eigen Amiel, ik zei het al. Hierbij een paar fragmenten die mij, al lezend, hebben aangezet tot vertalen. Ik hoop een dezer jaren te komen tot een Nederlandse Amiel van eigen snit, gebaseerd op de complete uitgave. (Nicolaas Matsier - Raster. Nieuwe reeks. Jaargang 2004 (nrs. 105-108)(2004)– https://www.dbnl.org/tekst/_ras001200401_01/_ras001200401_01_0009.php)

- de vertikaal geaggregeerde foto is afkomstig van:
https://www.ranker.com/list/famous-philosophers-from-switzerland/reference. Zij hebben Einstein er voor hun gemak maar aan toegevoegd.

--

Reacties

Populaire posts van deze blog

Het grootste bordeel van Europa

Typisch Spaans: Balay

Wat doet een Chief Economist - Officer?