Gehry in LA
Wie kent niet het werk van architect Frank Gehry, met die grote stalen gewelfde platen die om de bouwwerken gedrapeerd liggen als mantels, vooral en voor het eerst bekend door het Guggenheim (Museum) in Bilbao. Zijn werk en leven zijn vooral verbonden met de Amerikaanse westkust:
In 1947 verhuisde Gehry naar Californië, kreeg een baan als chauffeur van een bezorgingswagen en studeerde aan de Los Angeles City College, waar hij uiteindelijk afstudeerde aan de School of Architecture van de University of Southern California. Na zijn afstuderen aan USC in 1954 bracht hij enige tijd buiten het architectuurveld door in verschillende andere banen, waaronder dienst in het Amerikaanse leger. Hij studeerde stadsplanning aan de Harvard Graduate School of Design gedurende een jaar, maar verliet de opleiding voordat hij deze had voltooid. In 1952, nog bekend als Frank Goldberg, trouwde hij met Anita Snyder, die hij beweert hem verteld te hebben om zijn naam te veranderen, wat hij deed, naar Frank Gehry. In 1966 scheidden Gehry en Snyder. In 1975 trouwde hij met Berta Isabel Aguilera, zijn huidige echtgenote. Hij heeft twee dochters uit zijn eerste huwelijk en twee zonen uit zijn tweede huwelijk.
Omdat Gehry in Canada is opgegroeid, is hij een groot fan van ijshockey. Hij begon een ijshockeycompetitie in zijn kantoor, FOG (Frank Owen Gehry), hoewel hij er niet meer mee speelt. In 2004 ontwierp hij de trofee voor de World Cup of Hockey. Gehry heeft een dubbele nationaliteit in Canada en de Verenigde Staten. Hij woont in Santa Monica, Californië, en blijft praktijk houden vanuit Los Angeles. (https://resources.saylor.org/wwwresources/archived/site/wp-content/uploads/2011/05/Frank-Gehry.pdf)
Wat ik bij het lezen over Frank Gehry opving was de relatie met deconstructivisme, de stijl van zijn architectuur werd gezien als deconstructivistisch."... Naast de filosofie van deconstructivisme (Derrida) is er dus ook in architectuur een dergelijke stijlperiode geweest. Wat ik begrijp is dat beide stijle intellectuele wortels delen.
Onderstaande verhalen gaan over Los Angeles.
I - Gehry in het verhaal (Quartz) van Mike Davis
[Een bloemlezing, waar enkel de frases over Frank Gehry gelecteerd zijn]
De verkiezing van Villaraigosa – ooit een vurige vakbond en activist voor burgerlijke vrijheden – had het ‘La Guardia-moment’ in Los Angeles moeten zijn, een kans om het stadhuis schoon te vegen van zijn oude sluwe kliekjes met hun monomane obsessie met het gentrificeren van de binnenstad ten koste van de arbeidersbuurten van de stad. In plaats daarvan is Villaraigosa, net als Tom Bradley in 1973-4, een niet-bedreigend toonbeeld geworden van liberale aanpassing aan een onveranderlijke elite-agenda van faraonische herontwikkelingsprojecten. De voormalige rebel uit het oosten van de rivier is nu de afgematte aanjager van een ‘renaissance in het centrum’ die superkathedralen, miljardairs, sportfranchises, megamusea, Yuppie-lofts en dronken Frank Gehry-wolkenkrabbers promoot, ten koste van sociale rechtvaardigheid en betaalbare woningen. Hij steunt een kwaadaardig plan om de meerderheid van de daklozen uit de binnenstad te verdrijven om de hebzucht van de landeigenaren en gentrifiers te bevredigen.
...
Het is moeilijk om de conclusie te ontwijken dat de voornaamste as van het culturele conflict in Los Angeles altijd de constructie/interpretatie van de stadsmythe is geweest, die het materiële landschap binnendringt als een ontwerp voor speculatie en overheersing, zoals Allan Seager suggereert ‘niet als fantasie voorgesteld, maar als fantasie gezien’. Hoewel de opkomst van Los Angeles uit de woestijn een artefact is geweest van gigantische openbare werken, is het bouwen van steden verder overgelaten aan de anarchie van de marktkrachten, met slechts zeldzame interventies van sociale staatsbewegingen of publieke leiders. De meest prometheïsche figuur van de stad – wateringenieur William Mulholland – was raadselachtig en tot het uiterste zwijgzaam in zijn verzamelde werken: het aquaduct van Los Angeles en het bevel ‘Take it’. Hoewel, zoals we kort opmerken, de residentiële architectuur af en toe heeft gediend als een verzamelpunt voor cultureel regionalisme, zijn bijvoorbeeld de Craftsman-bungalow uit de jaren 1910, het ‘case study’-huis uit de jaren 1940, het Gehry-huis uit de jaren 70, celluloid of het elektronische scherm de dominante media van de zelfexpressie van de regio gebleven. Vergeleken met andere grote steden kan Los Angeles in zeer fragmentarische zin worden gepland of ontworpen, voornamelijk op het niveau van de infrastructuur, maar het is oneindig voor ogen.
Deze nieuwe geografie van de macht heeft de culturele welvaart geconcentreerd in twee indrukwekkende kunstacropolissen. Op Bunker Hill langs een Grand Avenue-as is het Music Center uit 1964 vergezeld door Arata Isozaki’s Museum of Contemporary Art 1986, dat ‘de doos met het label ‘Cultuur’ vult’ en binnenkort gevolgd zal worden door de Bella Lewitzky Dance Gallery en Frank Gehry’s monumentale Disney Concert Hall.146 Andere wereldberoemde architecten en kunstenaars, waaronder Michael Graves en David Hockney, zijn betrokken bij particuliere ontwikkelingen rond de openbare bibliotheek van Los Angeles aan de zuidelijke voet van Bunker Hill. Ondertussen is Richard Meier, zestien mijl ten westen, in de Sepulveda Pass nabij Westwood, ‘misschien wel de meest vooraanstaande architect ter wereld’147 bezig met het ontwerpen van het 300 miljoen grote J. Paul Getty Center: een museumbibliotheek en onderzoekscentrum voor de grootste kunstschat in de geschiedenis van meer dan 3 miljard. Aan de andere kant van de San Diego Freeway in Westwood bereidt de echte tachtigjarige Armand Hammer zijn eigen megalomane kunstmausoleum voor, terwijl de overbebouwde, overgebouwde campus van UCLA uitpuilt van de expat-crème van het Europese postmodernisme, waaronder onlangs Baudrillard Derrida en Jencks.
Een ander belangrijk kunstlogo voor het Los Angeles van de jaren negentig is de gedeconstrueerde poparchitectuur van Frank Gehry – aangekondigd als de eerste grote inheemse stijl sinds de bungalow. Gehry's werk heeft de bijzondere eigenschap dat het noir omzet in Pop door een recycling van de elementen van een vergankt en gepolariseerd stadslandschap, bijvoorbeeld ruwe betonnen kettingen, lege achtermuren enzovoort, in lichte en luchtige uitingen van een gelukkige levensstijl, rechtenscholen, aquaria, filmbibliotheken enz. Het is een soort architecturale alchemie die het beste haalt uit ‘slechte stedelijke ruimtes’ zoals het centrum van Hollywood of de wijk Pico Union, door, zoals we zullen zien in hoofdstuk vier, prachtige geometrische vormen te combineren met complexe fysieke beveiligingssystemen. Het is niet verrassend dat Gehry, die sommige van zijn eigen voorstellen als ‘decors’ heeft gekarakteriseerd, een lucratieve relatie is aangegaan met Disney-CEO Michael Eisner om ‘entertainmentarchitectuur’ te ontwerpen voor de uitbreiding van Disney World in Florida en voor het Disney Concert Center op Bunker Hill.155 Als het ‘menselijke gezicht’ van de bedrijfsarchitectuur die Los Angeles transformeert – wijken ontwortelt en de openbare ruimte privatiseert – heeft Gehry een populaire autoriteit verworven over regionale smaak die soms doet denken aan de historische functies van Lummis of zelfs Disney.
De sponsoring van het ‘Pacific Rim-bewustzijn’ door het Los Angeles Festival, samen met Gehry’s gebaren in de richting van een architecturale synthese van ‘Los Angelesness’, worden weerspiegeld door de gezamenlijke inspanningen van planners, ontwikkelaars en bedrijfsleiders om een ‘nnieuw stedelijk archetype’ om de officiële toekomst van de stad te symboliseren. Onder belegering door boze huiseigenaren en milieugroeperingen die protesteerden tegen de uit de hand gelopen ontwikkeling en die zijn imago voor de gouverneursrace van 1986 wilden versterken, richtte burgemeester Bradley een door het bedrijfsleven gedomineerde blue ribbon-commissie op om een ‘strategisch plan voor Los Angeles’ voor te bereiden. Na de Olympische Spelen in Los Angeles, een mijlpaal in de huidige boostercyclus, kon de commissie een ongebruikelijke mate van aandacht mobiliseren van de doorgaans verdeelde elites van Los Angeles, waaronder voor het eerst vertegenwoordigers van het Aziatische kapitaal. Het resulterende rapport L.A. 2000: A City for the Future 1988 is het manifest geworden van een ‘nieuw regionalisme’ dat tot doel heeft een eenheid van visie te smeden tussen megaontwikkelaars en de haute intelligentsia.156
Maar een van de meest hardnekkige ‘waarheden’ die de NWA rapporteert, is hun eigen hebzucht: ‘We maken geen platen voor de lol, we doen het om geld te verdienen.’ In tegenstelling tot hun inmiddels ter ziele gegane New York Rap-tegenhangers Public Enemy, die tribunes waren van het zwarte nationalisme, verwerpen de gangster-rappers uit Los Angeles elke ideologie behalve de primitieve accumulatie van rijkdom op welke manier dan ook. Door de realiteit van de straat, zogenaamd bloot te leggen, ‘te zeggen waar het op staat’, bieden ze ook een onkritische spiegel aan fantasierijke machtsreizen van geweld, seksisme en hebzucht. En net zo min als Charles Bukowski en Frank Gehry, andere leveranciers van L.A. ‘sociaal realisme’, zijn de gangster-rappers erin geslaagd om hervertaling te vermijden door beroemdheden te worden. Omringd door vriendelijk glimlachende blanke leidinggevenden van platenmaatschappijen en PR-mannen zwaait de NWA met op maat gemaakte aanvalsgeweren en praat ze duister over recente ‘drive bys’ en begrafenissen van vrienden – een ‘gepolijst’ imago als elk ander in de branche.166
155. Geïnterviewd door Ross Miller ‘The Master of Mudpies’. Verwijzend naar Gehry Isozaki Graves en andere huidige Disney ‘stararchitects’-criticus merkt Suzanne Stephens op: ‘Gisteren droomde elke architect in Amerika ervan kantoortorens te bouwen voor verlichte ontwikkelaars. Vandaag willen ze voor Michael Eisner werken.’ Geciteerd in Leon Whiteson ‘Disney Design’ Los Angeles Times van 25 januari 1990.
Op de zorgvuldig onderhouden gazons van de Westside van Los Angeles ontspruiten bossen vol onheilspellende bordjes die waarschuwen: ‘Gewapende reactie’. Zelfs rijkere buurten in de canyons en heuvels isoleren zichzelf achter muren die worden bewaakt door gewapende particuliere politie en ultramoderne elektronische bewaking. In het centrum van de stad heeft een door de overheid gesubsidieerde ‘stadsrenaissance’ de grootste bedrijfscitadel van het land verrezen, gescheiden van de arme buurten eromheen door een monumentaal architectonisch glacis. In Hollywood verheerlijkt de beroemde architect Frank Gehry, bekend om zijn ‘humanisme’, de belegeringslook in een bibliotheek die is ontworpen om op een fort van een vreemdelingenlegioen te lijken. In het Westlake-district en de San Fernando Valley barricadeert de politie van Los Angeles de straten en sluit arme wijken af als onderdeel van hun ‘oorlog tegen drugs’. In Watts demonstreert ontwikkelaar Alexander Haagen zijn strategie voor het herkoloniseren van de detailhandelsmarkten in de binnenstad: een panoptisch winkelcentrum omgeven door metalen hekken en een onderstation van de LAPD in een centrale bewakingstoren. Eindelijk aan de horizon van het volgende millennium voert een voormalig hoofd van de politie kruistochten uit voor een ‘gigantisch oog’ tegen misdaad – een geosynchrone wetshandhavingsatelliet – terwijl andere agenten discreet versies van ‘Garden Plot’ verzorgen, een grijs maar nog steeds levensvatbaar plan uit de jaren zestig voor een armageddon van de openbare orde.
FRANK GEHRY ALS DIRTY HARRY
Als de hedendaagse zoektocht naar burgerlijke veiligheid kan worden gelezen in het ontwerp van busbanken en megaconstructies, is deze ook zichtbaar op het niveau van de auteur. Geen enkele recente architect heeft de stedelijke veiligheidsfunctie zo ingenieus uitgewerkt of de daaruit voortvloeiende opwinding zo brutaal omarmd als Frank Gehry, winnaar van de Pritzker Prize in Los Angeles. Zoals we eerder zagen is hij een van de voornaamste ‘imagineers’ geworden in de Disney-zin van het neo-boosterisme van de jaren negentig. Hij is bijzonder bedreven als cross-over, niet alleen tussen architectuur en moderne kunst, maar ook tussen oudere vaag radicale en hedendaagse, fundamenteel cynische stijlen. Zijn portfolio is dus tegelijk een principiële afwijzing van het postmodernisme en een van de slimste sublimaties ervan, een nostalgische evocatie van revolutionair constructivisme en een huurlingenviering van het burgerlijke decadente minimalisme. Deze amfibische verschuivingen en paradoxale nuances in Gehry’s werk ondersteunen een bloeiende huisnijverheid van Gehry-interpretatie, meestal doordrenkt met hyperbolische bewondering.
Maar zoals in hoofdstuk één wordt gesuggereerd, is Gehry’s sterkste punt misschien wel gewoon zijn ongecompliceerde exploitatie van ruige stedelijke omgevingen en zijn flagrante integratie van de hardste randen en afval ervan als krachtige representatieve elementen in zijn werk. Veel van zijn meest interessante werk wordt door collega’s liefkozend omschreven als een ‘oude socialist’ of ‘straatvechter met een hart’ en is volkomen onromantisch en eennti idealist.18 In tegenstelling tot zijn populaire mentoren uit de jaren veertig maakt Gehry weinig pretenties over architectonisch reformisme of ‘ontwerp voor democratie’. Hij gaat er prat op dat hij probeert ‘het beste te maken met de realiteit der dingen’. Met soms huiveringwekkende helderheid verduidelijkt zijn werk de onderliggende relaties van repressie, toezicht en uitsluiting die kenmerkend zijn voor de gefragmenteerde paranoïde ruimtelijkheid waarnaar Los Angeles lijkt te streven.
Een heel vroeg voorbeeld van Gehry’s nieuwe stedelijke realisme was zijn oplossing uit 1964 van het probleem van hoe hoge vastgoedwaarden en weelderige ruimtes in vervallen buurten konden worden ingevoegd. Zijn Danziger Studio in Hollywood is het pioniersvoorbeeld van wat een hele soort ‘stealth-huizen’ in Los Angeles is geworden, die hun luxueuze kwaliteiten verhullen met proletarische of gangsterfaçades. De straatgevel van de Danziger – aan Melrose in de slechte oude tijd vóór de huidige renaissance van de gastronomische ravijn – was eenvoudigweg een massieve grijze muur die met een ruwe afwerking was behandeld om ervoor te zorgen dat hij stof van passerend verkeer en weer zou verzamelen in een simulacrum van nabijgelegen pornostudio's en garages. Gehry was expliciet in zijn zoektocht naar een ontwerp dat ‘introvert en fortachtig’ was met de stille uitstraling van een ‘domme doos’.19
‘Dumb boxes’ en schermwanden vormen een hele cyclus van Gehry’s werk, variërend van zijn American School of Dance 1968 tot zijn Gemini G.E.I. 1979, beide in Hollywood. Zijn meest baanbrekende ontwerp was echter zijn ommuurde stadscentrum voor Cochiti Lake New Mexico in 1973: hier omsluiten ijsblauwe wallen van ontzagwekkende strengheid een hele gemeenschap, een plan dat op kleinere schaal werd herhaald in het Jung Institute uit 1976 in Los Angeles. In elk van deze gevallen wordt melodrama gegenereerd door de antithese tussen de versterkte buitenkanten tegen ‘onaantrekkelijke buurten’ of woestijnen en de weelderige interieurs die door lichtbeuken en lichtbronnen naar de hemel opengaan. Gehry’s ommuurde gebouwen en steden bieden met andere woorden krachtige metaforen voor de terugtrekking uit de straat en de introversie van de ruimte die kenmerkend waren voor de ontwerpreactie op de stedelijke opstanden van de jaren zestig.
Deze problematiek werd in 1984 vernieuwd in zijn ontwerp van de Loyola Law School, gelegen aan de westelijke rand van het centrum van Los Angeles in de grootste Midden-Amerikaanse wijk in de Verenigde Staten. De binnenstedelijke situatie van de Loyola-campus confronteerde Gehry met een expliciete keuze tussen de risico's van het creëren van een echte openbare ruimte die zich uitstrekt tot in de gemeenschap of het kiezen van de veiligheid van een verdedigbare enclave zoals in zijn eerdere werk. De radicale of eenvoudigweg idealistische architect had kunnen gokken op het openstellen van de campus voor de aangrenzende gemeenschap, waardoor deze een substantieel aandeel in het ontwerp zou krijgen. In plaats daarvan, zoals een bewonderende criticus uitlegde, koos Gehry voor een fundamenteel neoconservatief ontwerp dat:
Maar als de Danziger Studio zichzelf camoufleert en het Cochiti Lake en Loyola voorgevels ontwerpen met strenge blikken, beschimpt Gehry’s barok versterkte Frances Howard Goldwyn Regional Branch Library in Hollywood 1984 potentiële indringers positief ‘om mijn dag goed te maken’. Dit is ongetwijfeld de meest bedreigende bibliotheek die ooit is gebouwd, een bizarre hybride aan de buitenkant van de in een droogdok gelegen dreadnought en het Gunga Din-fort. Met zijn vijftien meter hoge veiligheidsmuren van met stucwerk bedekt betonblokken, zijn anti-graffiti barricades bedekt met keramische tegels, zijn verzonken ingang beschermd door drie meter lange stalen stapels en zijn gestileerde wachtposten die gevaarlijk aan weerszijden zijn geplaatst, projecteert de Goldwyn Library, beïnvloed door Gehry's hoogbeveiligde ontwerp uit 1980 voor de Amerikaanse kanselarij in Damascus, hetzelfde soort macho-overdrijving als Dirty Harry's 44 Magnum.
Het is voorspelbaar dat sommige van Gehry’s bedwelmde bewonderaars in zwijm zijn gevallen over dit Beiroet-gebouw als ‘genereus’ en ‘uitnodigend’, ‘het ouderwetse soort bibliotheek’, enzovoort. Ze missen op absurde wijze het punt.21 De vorige Hollywood Regional Branch Library was verwoest door brandstichting en de Samuel Goldwyn Foundation, die deze verzameling filmland-memorabilia schenkt, was gefixeerd op fysieke veiligheid. Gehry aanvaardde de opdracht om een structuur te ontwerpen die inherent ‘vandaalbestendig’ was. Het curieuze is natuurlijk zijn afwijzing van de onopvallende hightech beveiligingssystemen die de meeste architecten op subtiele wijze in hun blauwdrukken integreren. Hij koos in plaats daarvan voor een spraakmakende low-tech benadering die de beveiligingsfuncties maximaal op de voorgrond plaatst als motieven van het ontwerp. Er is geen sprake van huichelarij van functie door vorm, integendeel. Gehry laat het allemaal rondhangen. Hoe speels of bijtend geestig u het resulterende effect zult vinden, hangt af van uw existentiële positie. De Goldwyn Library interpelleert meedogenloos een demonische andere brandstichter en graffiti-indringer, die wordt teruggekaatst op de omliggende straten en straatmensen. Het verzadigt op koude wijze zijn directe omgeving, die louche maar niet bijzonder vijandig is, met zijn eigen arrogante paranoia.
Toch zou paranoia een verkeerde benaming kunnen zijn, aangezien de aangrenzende straten eenslagveld. Enkele jaren geleden bracht de Los Angeles Times het smerige verhaal naar buiten over hoe de entertainmentconglomeraten en een paar grootgrondbezitters die het grondbezit in dit deel van Hollywood monopoliseerden, erin waren geslaagd de controle over het herontwikkelingsproces in handen te krijgen. Hun plan is nog steeds onderwerp van controverse en is om eminente domein- en publieke belastingverhogingen te gebruiken om de steeds armere vluchtelingen uit Midden-Amerika uit de straten van Hollywood te verdrijven en de enorme meevallers te plukken van het ‘opwaarderen’ van de regio tot een blits themapark voor internationaal toerisme.22 Binnen deze strategie is de Goldwyn Library – net als Gehry’s eerdere ommuurde gebouwen – een soort architecturale vuurbasis, een bruggenhoofd voor gentrificatie. De met licht gevulde interieurs omgeven door oorlogszuchtige barricades spreken boekdelen over hoe de openbare architectuur in Amerika letterlijk binnenstebuiten wordt gekeerd in dienst van ‘veiligheid’ en winst.
18. ‘Oud socialistisch’ citaat van architect en ‘Gehry Kid’ Michael Rotundi van Morphosis Gehry zelf pocht: ‘Ik haal mijn inspiratie uit de straat. Ik ben meer een straatvechter dan een Romeins geleerde.’ Geciteerd in Adele Freedman Progressive Architecture, oktober 1986 p. 99.
19. De beste catalogus van Gehry’s werk is Peter Arnell en Ted Bickford eds Frank Gehry: Buildings and Projects New York 1985. Zie ook. Instituut voor Hedendaagse Kunst Frank O. Gehry Een tentoonstelling van recente projecten Boston 1982 en University of Southern California Frank Gehry: Selected Works Los Angeles 1982.
II - Mike Davis in Dat is Architectuur
Mike Davis (1946) doceert theorie van de stad aan de Southern California Institute of Architecture en is co-uitgever van The year Left: a socialist yearbook. Hij kreeg internationale faam met een drietal ophefimakende boeken: Prisoners of the American dream (1986), City of Quartz. Excavating the Future in Los Angeles [zie boven] (1990) en Ecology of Fear (1996). Recent verscheen Magical Urban ism. Latinos Reinvent the US City (2000). City of Quartz is een meeslepend epos over Los Angeles als paradigma van de nieuwe stad: een posturbane zone zonder centrum, een uitgestrekt patchwork van heterogene functies verbonden door een netwerk van snelwegen. Het succes van dit boek kan mede verklaard worden door het feit dat het juist handelt over een stad die op dat moment ontdekt werd als nieuw model: niet meer de densiteit en het delirium van New York, maar de stad van urban sprawl en lage dichtheid. Het beeld dat Davis schetst, is echter kritisch en ontluisterend, omdat het toont hoe Los Angeles is getransformeerd tot een nachtmerrie van segregatie en uitsluiting. Dit betoog krijgt een vervolg in zijn derde bock Ecology of Fear, waarin hij aantoont hoe de ecologische rampen van Los Angeles (bosbranden, aardbevingen, overstromingen) door de mens worden veroorzaakt of verergerd. Vooral dit laatste bock heeft kwaad bloed gezet; er is inmiddels een hetze ontstaan, waarin Davis van schromelijke overdrijving, verdraaling van feiten en gebruik van verkeerd cijfermateriaal wordt beschuldigd. In de hier opgenomen fragmenten uit City of Quartz - overgenomen uit Michael Sorkins Variations on a Themepark [Sorkin 1992]-laat hij op overtuigende wijze zien dat Los Angeles een stad is waarin urbanistische, architecturale en politionele strategieën samenwerken om de 'gevaarlijke klassen' buiten bepaalde zones te houden en ze op te sluiten in andere. Zo wordt Los Angeles het model van niet alleen de stad van de duizend mogelijkheden - The four ecologies van Reyner Banham... - of de centrumloze netwerkstad, maar ook van de duale stad gekenmerkt door een militarisering van de stedelijke ruimte.
[...]
De stad zindert van de haat. De zorgvuldig gemillimeterde gazons van de Westside zijn voorzien van onheilspellende kleine bordjes met de dreigende tekst 'Wij schieten met scherp!' Welvarender buurten in de valleien en op de heuvels zoeken beschutting achter muren bewaakt door bewapende particuliere beveiligingsdiensten en de modernste elektronische alarmapparatuur. In het centrum is een van overheidswege gesubsidieerde 'stedelijke renaissance' gaande, die heeft geresulteerd in de bouw van een grimmige gemeentelijke citadel die door wallen en grachten is afgeschermd van de omringende arme wijken. Een santal van deze hoofdzakelijk zwarte wijken en Latinowijken is op hun beurt weer door de politie afgesloten met versperringen en controleposten. In Hollywood heeft architect Frank Gehry deze vestingstijl verwerkt in een bibliotheek die eruitziet als een woestijnfort van het vreemdelingenlegioen. In Watts heeft ontwikkelaar Alexander Haagen het eerste totaal beveiligde winkelcentrum gebouwd, ontworpen als een eigentijds panopticon, een gevangenis van consumentisme, compleet met ijzeren traliehekken, bewegingsdetectoren en een extra politiepost in een centrale toren. Intussen staat in downtown een spectaculair gebouw dat door veel toeristen als hotel wordt gezien, maar in feite een nieuwe federale gevangenis is.
Welkom in het postprogressieve Los Angeles, waar de verdediging van de luxe geleid heeft tot een arsenaal aan beveiligingssystemen en een obsessieve bewaking van de sociale scheidslijnen door middel van architectuur. Deze militarisering van het stedelijke leven wordt hoe langer hoe meer zichtbaar in de gebouwde omgeving van de jaren negentig, Toch zwijgt de hedendaagse stadstheorie merkwaardig genoeg over de implicaties hiervan. De hippe apocalyptische Hollywoodfilms en de pulp-sciencefiction zijn wat dat betreft realistischer - en politiek gezien scherpzinniger - in hun verbeelding van de verharding van het stedelijke landschap. Beelden van gevangenisachtige stadscentra (Escape from New York, Running Man), hightech justitiële doodseskaders (Bladerunner), sensibele wolkenkrabbers (Die Hard) en guerrillaoorlogen in de straten (Colors) zijn geen fantasieën, maar slechts extrapolaties van de huidige realiteit.
[...]
We leven inderdaad in 'vestingsteden', grofweg opgedeeld in 'versterkte cellen' van welvaart en overvloed en 'nachtmerriewijken' waar de politie in oorlog is met de gecriminaliseerde onderklasse. De 'Tweede Burgeroorlog', die uitbrak tijdens de lange hete zomers aan het einde van de jaren zestig, is nu geïnstitutionaliseerd in de structuur van de stedelijke ruimte zelf. De oude progressieve pogingen tot sociale beheersing, die tegenover de repressie tenminste nog probeerden hervormingen te stellen, zijn verdrongen door een openlijke sociale oorlogsvoering die de belangen van de middenklasse uitspeelt ten koste van het welzijn van de stedelijke armen. In steden als Los Angeles, aan de harde kant van de post-moderniteit, komen de architectuur en het politieapparaat samen tot een ongeëvenaarde symbiose.
De globale consequentie van de kruistocht ter beveiliging van de stad is de vernietiging van elke democratische stedelijke ruimte. De Amerikaanse stad keert zich systematisch in zichzelf. De 'openbare' ruimten van de nieuwe megacomplexen en supermalls hebben de traditionele straten vervangen en hun spontaneïteit aan banden gelegd. In winkelcentra, kantorencomplexen en culturele centra zijn de openbare activiteiten in zuiver functionele compartimenten onderverdeeld onder het wakend oog van privé-bewakingsdiensten. Als kroon op deze architecturale privatisering van de fysieke openbare ruimte verschijnt bovendien een gelijktijdige herstructurering van de elektronische ruimte: zwaarbewaakte, en alleen via betaling toegankelijke, databases en kabeldiensten nemen de onzichtbare agora in beslag. In Los Angeles zijn achterbuurten bijvoorbeeld niet alleen herkenbaar aan hun gebrek aan parken en openbare voorzieningen, maar ook aan het feit dat ze niet verbonden zijn met essentiële informatiecircuits. De welvarende Westside is daarentegen vaak op kosten van de gemeenschap - aangesloten op dichte netwerken van educatieve en culturele media.
Zowel in haar architecturale als in haar elektronische vorm markeert deze polarisatie het verval van het stedelijk progressisme en daarmee samen het einde van wat men de Olmstediaanse visie op publieke ruimte in Amerika zou kunnen noemen. Frederick Law Olmsted, de geestelijke vader van Central Park, beschouwde publieke ruimten als sociale veiligheidsventielen, door de vermenging van klassen en etnisches gemeenschappelijke vorm van ontspanning en plezier. 'Niemand die aandachtig het gedrag van de mensen die het [Central] Park bezoeken, observeert', zo schrijft hij, 'kan er aan twijfelen dat het een uitgesproken harmoniserende en louterende invloed uitoefent op de meest onfortuinlijke en meest wetteloze klassen van de stad - invloed die beleefdheid, zelfbeheersing en matigheid bevordert.'
[.....]
Net zoals in andere Amerikaanse steden laat de politiek in Los Angeles haar beleid bepalen door het beveiligingsoffensief en de eis van de middenklasse voor een grotere ruimtelijke en sociale isolatie. Belastinggelden die vroeger besteed werden aan de traditionele openbare ruimten en recreatieve voorzieningen, worden nu aangewend voor gemeentelijke stadsvernieuwingsprojecten. Een volgzaam stadsbestuur - en in het geval van Los Angeles is dat ironisch genoeg een bestuur dat zich wil profileren als een progressieve biraciale coalitie - werkt mee aan de privatisering van de openbare ruimte en biedt subsidies voor de bouw van nieuwe exclusieve enclaves (vriendelijk urban villages genoemd). De feestelijke bewoordingen waarmee het huidige Los Angeles omschreven wordt - ‘stedelijke - vormen niet meer dan een suikerlaagje renaissance', 'stad van de toekomst', enzovoort over de verkrachting van de stadswijken in het centrum en de rigide klasse- en rassenscheidingen die hun weerslag vinden in de gebouwde omgeving. De stedelijke vorm volgt gehoorzaam de repressieve functie. Los Angeles, voorloper als altijd, biedt een bijzonder zorgwekkend voorbeeld voor de opkomende alliantie tussen stedelijke architectuur en de politiestaat.
[...]
Met twee miljard dollar aan belastinggeld zijn grote banken en ondernemingen ertoe verleid hun hoofdkantoren terug te plaatsen in het stadscentrum dat ze in de jaren zestig verlaten hadden. Het machtige en grotendeels onafhankelijke bureau voor stadsontwikkeling heeft de woonblokken uit het stadsbeeld laten verdwijnen en zo een kant-en-klaar bouwterrein opgeleverd waar lokale en buitenlandse (steeds meer Japanse) projectontwikkelaars een reeks complexen hebben neergezet, die telkens een volledig bouwblok vullen: Crocker Center, het Bonaventura Hotel met bijhorend winkelcentrum, het World Trade Center, California Plaza, Arco Center, enzovoort. Deze superblokken zijn onderling verbonden via een zich verdichtend en opzichzelfstaand verkeerssysteem, zodat dit nieuwe financiële district het best kan worden beschouwd als één zelfstandige, overkoepelende hyperstructuur, een miesiaans stadssilhouet van ontzagwekkende afmetingen.
Net als vergelijkbare megalomane complexen die aanleunen tegen verbrokkelde en troosteloze stadscentra - zoals het Renaissance Center in Detroit en het Peachtree Center en het Omni Center in Atlanta - hebben Bunker Hill en de Figueroacorridor een storm van protesten teweeggebracht vanwege hun schandalige omvang en ontwerp, hun schending het straatleven en vanwege het feit dat ze de vitale energie uit het stadscentrum wegzuigen en overbrengen naar hun beperkt toegankelijke onderaardse hallen of geprivatiseerde plaza's.
[...]
Foto's van het oude stadscentrum in de glorieperiode van de jaren veertig tonen menigten van blanke, zwarte en Mexicaanse winkelaars van alle leeftijden en sociale klassen. De huidige 'renaissance' van de binnenstad maakt zulke heterogeniteit vrijwel onmogelijk. Het is de bedoeling niet alleen 'de straat te doden', zoals Kaplan vreesde, maar 'de menigte te doden', teneinde de democratische mengeling te elimineren waarvan Olmsted dacht dat ze Amerika's tegengif was tegen de Europese klassenpolarisatie. De nieuwe binnenstad is ontworpen om een naadloos continuüm te verzekeren van werk, consumptie en ontspanning voor de middenklasse, als een eiland te midden van de wansmakelijke' straten van de stad. Wallen en kantelen, reflecterend glas en verhoogde voetpaden, zijn stijlfiguren in een architecturale taal die de minder gegoede Ander waarschuwen op een afstand te blijven. Architectuurcritici zijn veelal blind voor deze gemilitariseerde syntaxis, maar voor de paria's van de stad, of het nu jonge zwarten, arme Latino-immigranten of dakloze, blanke, oude vrouwen zijn, zijn deze tekens overduidelijk.
Bunker Hill mag een extreem lokaal voorbeeld zijn, het weerspiegelt de in het hele land bestaande tendens naar 'verdedigbare' stedelijke centra. Alle steden - groot en klein-verdringen zich rond deze formule van gegroepeerde ontwikkeling, sociale homogeniteit en een bepaalde voorstelling van veiligheid.
[...]
Een van de meest eenvoudige maar tevens meest gemene maatregelen om de armen en daklozen uit het nieuwe stadscentrum te weren, zijn de nieuwe tonvormige banken bij de bushalten van het Rapid Transit District. Het is haast onmogelijk om lekker te zitten op deze banken, laat staan dat iemand erop zou kunnen slapen. Dergelijke 'zwerverbestendige' banken zijn overal rondom Skid Row te vinden.' Een andere uitvinding is het agressieve gebruik van sproei-installaties. Enkele jaren geleden opende de stad een park in Skid Row. Om te voorkomen dat zwervers het park als slaapplaats zouden gebruiken werd er een sproeisysteem geïnstalleerd dat 's nachts de nietsvermoedende slapers op willekeurige tijden verraste met een plensbui. Plaatselijke winkelbedrijven namen dit systeem onmiddellijk over om daklozen weg te jagen van de (openbare) trottoirs voor hun winkels.
[...]
Als de hedendaagse behoefte aan burgerlijke veiligheid herkenbaar is in het ontwerp van bushokjes, megacomplexen en woonprojecten, komt ze ook terug op het niveau van de ontwerper zelf. Geen enkele architect heeft de stedelijke veiligheid zo hoog in het vaandel, zo ingenieus en schaamteloos uitgewerkt als Frank Gehry, de winnaar van de Pritzkerprijs. Zijn sterkste troef is zijn eenduidige exploitatie van de ruige stedelijke omgevingen, waarbij hij hun ruwste aspecten en hun afval expliciet als krachtige representatieve elementen inlijft.
[...]
Een vroeg voorbeeld van Gehry's nieuwstedelijk realisme stamt uit 1964, toen hij een oplossing voorstelde om luxueuze ruimten in te brengen in verslonsde wijken (en tevens de waarde van het onroerend goed daar op te krikken). Zijn Danziger Studio in Hollywood is het eerste in een hele reeks ogenschijnlijk onopvallende gebouwen [stealth houses] die een rijk interieur verbergen achter een proletarische, sjofele façade. De straatgevel van de Danziger Studio is gewoon een massieve grijze muur, ruw afgewerkt zodat de muur het stof van het langsrazende verkeer en de regenbuien kon verzamelen en niet te onderscheiden zou zijn van de nabij gelegen pornostudio's en garages. Gehry was expliciet op zoek naar een ontwerp dat 'naar binnen gericht en fortachtig' was, met de stille uitstraling van een 'domme doos'.
Inderdaad vormen 'domme dozen' en massieve schermwanden een terugkerend element in zijn werk, vanaf de American School of Dance (1968) tot aan zijn Gemini GEI (1979), allebei in Hollywood. Zijn vruchtbaarste ontwerp was echter het ommuurde stadscentrum van Cochiti Lake in New Mexico (1973), waar ijsblauwe stadswallen van een ontzagwekkende strengheid een hele gemeenschap omsluiten. Op een kleinere schaal kopieerde hij dit ontwerp in zijn Jung Institute in Los Angeles (1976),
Draagt de Danziger Studio slechts een camouflagepak en zijn de ontwerpen voor Cochiti Branch Library in Hollywood (1984) daagt ongewenste bezoekers bijna letterlijk uit: kom Lake en Loyola alleen maar brutale, domme dozen, Gehry's barok gefortificeerde Goldwyn maar op, make my day. Dit is waarschijnlijk de meest bedreigende bibliotheek die ooit gebouwd is, een bizarre mengvorm van een slagschip in een droogdok en een ruiterfort op de prairie. Met zijn vijf meter hoge omwalling van gepleisterde cementblokken, zijn anti- graffiti-obstakels met keramische tegels, zijn verzonken ingang die beschermd wordt door meer dan drie meter hoge, stalen pinnen en zijn gestileerde wachthuisjes die aan weerszijden ervan net hun evenwicht bewaren, straalt de Goldwyn Library (beïnvloed door Gehry's ontwerp voor de high security VS-ambassade in Damascus uit 1984) niets minder dan agressie uit.
[...]
De Goldwyn Library is - net als Gehry's eerdere ommuurde vestingen - een soort architectonisch militair hoofdkwartier, een bruggenhoofd voor gentrification. De torenhoge, lichte interieurs omgeven door verdedigingswerken spreken boekdelen over de wijze waarop de architectuur van openbare gebouwen in Amerika de stad letterlijk de rug toekeert in ruil voor veiligheid en winst.
[...]
De drang naar veiligheid die de hedendaagse stedelijke planning dicteert, vindt zijn meest basale uitdrukking in de koortsachtige pogingen van de welvarender buurten in Los Angeles om hun dure woningen en levensstijl fysiek af te schermen. Luxueuze woonprojecten buiten de stadsgrenzen zijn vaak bedrijfsmatig georganiseerd als 'vestingsteden', compleet met verdedigingswallen, beveiligde ingangen, privé-bewaking en zelfs privé-wegen. Voor gewone burgers is het onmogelijk 'steden' als Hidden Hills, Bradbury, Rancho Mirage of Palos Verdes Estates binnen te komen zonder uitnodiging van een ingezetene. Bradbury, met negenhonderd inwoners en vijftien kilometer aan omheinde privé-wegen, is zelfs zo geobsedeerd door beveiliging dat de drie stadsbestuurders geen telefoontjes van de pers meer aannemen, omdat 'iedere keer als er weer een artikel verschijnt de aandacht stad gevestigd wordt en het aantal inbraken stijgt.'
[...]
De welvarende wijken in Los Angeles zelf zijn al lange tijd jaloers op de autonomie van gefortificeerde enclaves als Hidden Hills en Palos Verdes. Met de hulp van het meegaande stadsbestuur krijgen ze tegenwoordig toestemming om letterlijk muren te bouwen tussen zichzelf en de rest van de stad. Sinds de bouw in de late jaren veertig is Park La Brea in Los Angeles het succesvolste experiment geweest van hoogbouw voor allerlei soorten inkomens. Het stedelijke publiek, alleenstaanden, jonge gezinnen en bejaarden, heeft altijd een Manhattanachtige inslag gegeven aan het gebied van La Brea Tarpits aan Wilshire Boulevard. Maar de nieuwe eigenaren, Forest City Enterprises, hopen het project te upgraden door het af te sluiten van de wijken eromheen, met hekwerken en bordjes met 'Verboden toegang'. Zoals een woordvoerder van de eigenaars het minzaam uitdrukte: 'Het is een algemene trend om afgesloten gemeenschappen te creëren.'
[...]
Deze uitgebreide mobilisatie op het gebied van de stedelijke beveiliging wordt niet alleen mogelijk gemaakt doordat de politiefunctie wordt ingebed in de gebouwde omgeving, maar ook door de groeiende technologische macht van de politie zelf.
Al deze technologisch geavanceerde politiestrategieën hebben geleid tot een onzichtbare Haussmannisatie van Los Angeles. Je hoeft het schootsveld aan de grond niet vrij te maken als je het luchtruim beheerst. Je hoeft geen verklikkers in te huren als ieder gebouw is behangen met beveiligingscamera's.
[.....]
Een uitzonderlijk voorbeeld, het vlaggenschip van een nieuw genre, is het nieuwe Metropolitan Detention Center van Welton Becket Associates in het centrum van Los Angeles. Hoewel deze tien verdiepingen tellende federale gevangenis een van de opvallendste nieuwe gebouwen in de stad is, hebben maar weinigen van de honderdduizenden dagelijkse voorbijgangers in de gaten dat in dit gebouw de-in officiële taal-'managers-elite van het narco-terrorisme' wordt vastgehouden. Deze postmoderne Bastille - de grootste gevangenis die de laatste tientallen jaren in het centrum van een grote stad gebouwd is – lijkt eerder futuristisch hotel of kantorencomplex en is voorzien van kunstzinnige details (zoals het hightech-traliewerk op de gaanderijen) die niet onderdoen voor de beste moderne architectuur downtown. In schrille tegenstelling tot de humanitaire hel van de hopeloos overbevolkte County Jail, enkele blokken verderop, lijkt het gebouw van Becket eerder een congrescentrum voor internationale drugsbaronnen dan een gevangenis, een eminente toevoeging aan het continuüm van veiligheid en architectuur in het centrum van Los Angeles.
(BRON: Dat is Architectuur. Oorspronkelijke publicatie Mike Davis, 'Fortress LA', City of Quartz. Excavating the Future in Los Angeles, Vintage, New York 1990, pp.223-262.
- bron Mike Davis, 'Fortress Los Angeles: The Militarization of Urban Space', in: Michael Sorkin (red.), Variations on a theme park. The New American City and the End of Public Space, Hill en Wang, New York 1992, pp.154-177 [fragmenten pp.154-157, 159-161, 167-169, 172-174, 176-177].
- literatuur René Boomkens, 'Los Angeles is everywhere', Een drempelwereld. Moderne ervaring en stedelijke openbaarheid, NAI Uitgevers, Rotterdam 1998, pp.304-359.
- Wim Nijenhuis (red.), L.A.-Eindhoven: de stad voorbij de verzorgingsstaat, Academie voor Architectuur en Stedebouw, Tilburg 1997.
- Allen J. Scott en Edward W. Soja (red.), The City: Los Angeles and urban theory at the end of the twentieth century, University of California, Berkeley 1996.
- ■heterotopie☐ schrijfstijl stedelijkheid)


Reacties