Zwaag en Zeem

Veel ophef vorig jaar over de biografie van Joost Zwagerman, die ik graag wil lezen, maar waarschijnlijk geen tijd voor krijg. Trouw kopt, ‘Ik vind hem een tragische man’ en De Groene schrijft "Ontluisterend Maria Vlaars portret van Joost Zwagermans leven(s)."  

Uit het boek blijkt hij minder een bohemien, en meer een echte provinciaal, met narcistische trekken door een geïdealiseerd zelfbeeld, en ... probeerde te overleven door te polemiseren. Naast de schets van het leven van Zwagerman is het ook een tekening van die wereld, waar hij niet de enige is die ambitieus is, en hier zie je de parallel met een andere competitieve wereld, die van de sport. Daar kan je nog zoveel talent hebben, wanneer er in jouw tijdperk een andere komt die beter is, dan zet deze je op de tweede plaats. En als dat niet genoeg is?

... Wat vooral naar buiten komt is de relatie met Michaël Zeeman, het blijken twee zeer verschillende schrijvers die eigen productieve keuzes hebben gemaakt. Zoekend op het internet naar "Joost Zwagerman en Michaël Zeeman" levert onderstaand beeld op: Zeeman komt dan nauwelijks voor.

Uit alles blijkt dat schrijvers wanneer het om competitie gaat, duidelijke keuzes moeten maken. Heeft Zwagerman dat voldoende gedaan? Of wilde hij alles doen en zijn?

Een - de Volkskrant 

Biograaf Maria Vlaar leerde Zwagerman van álle kanten kennen: ‘Joost bleef een angstig burgermannetje’

Wie was Joost Zwagerman nou echt? De door eigen hand om het leven gekomen schrijver hield zich vaak verborgen achter maskers, maar wilde volgens biograaf Maria Vlaar juist gezien worden. Ook al wist hij dat die drang hem uiteindelijk zou verwoesten.

Op 8 september 2015 zorgde het bericht van de zelfmoord van de schrijver ... voor een schokgolf van verdriet en verbijstering. ...
Maria Vlaar, criticus, schrijver en bestuurder van literaire organisaties, ...  had Zwagerman leren kennen in het midden van de jaren tachtig. ‘Net als ik kwam Joost uit een katholiek, West-Fries gezin en was Nederlands gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam’, zegt Vlaar (1964) aan de keukentafel van haar met boeken en kunst volgestouwde huis in de hoofdstedelijke Watergraafsmeer.

‘Joost was een jaar ouder dan ik, maar begon twee jaar later aan de studie omdat zijn ouders, allebei onderwijzer, wilden dat hij eerst naar de pedagogische academie ging. We waren niet bevriend, maar kwamen elkaar wel geregeld tegen. Ook ik ging met mijn vrienden naar café Het Paleis, ik werd redacteur bij De Bezige Bij en kwam hem tegen bij presentaties en feesten in de stad. Ik las zijn boeken. We deelden een wereld.’

...
Ik moest er een paar maanden over nadenken [om de biografie van Joost Zwagerman te schrijven]: ...  Maar na een dag te hebben doorgebracht in Joosts archief, 42 dozen in het Literatuurmuseum in Den Haag, werd ik enthousiast. Uit die dozen spatte talent en levenswil.’

... ‘Voor mij als biograaf zijn die dozen goud waard. De eerste die ik opendeed, bevatte zeven volgepende schriftjes, dagboeken uit 1988 tot 1996, waarin hij ongekend openhartig is. ... Zwagerman wilde al heel jong een beroemde schrijver worden, en slaagde daarin wonderwel.

‘Joost brandde van ambitie.  
...
Was hij een natuurtalent?

‘Zeker! ... Joost schreef ingezonden brieven aan zichzelf en klaagde dan als hoofdredacteur dat hij geen tijd had om overal op te antwoorden, want: ‘Dit alles is door één man gemaakt.’’

Zwagerman bleek geen man uit één stuk.

‘Ik wist toen nog niet dat ik ook heel andere Joosten zou leren kennen, al had ik het kunnen weten.’ ... Hij was niet alleen een ambitieuze romanschrijver, lyrische dichter en bevlogen kunstbeschouwer, maar ook een compulsieve vreemdganger, afwezige vader, obsessieve ruziemaker en, uiteindelijk, een angstige, depressieve man. Iemand zonder kern. Een man met een gat in zijn ziel.’

Hij wilde gezien worden?

‘Niet gezien worden was de grootste krenking. Al heeft Joost zich ook vaak verborgen achter maskers. Vriendinnetjes, hoerenbezoek, snuiven en slikken, manipulaties – dat heeft hij allemaal geheim gehouden.’
...     In 1992 noteerde hij al in zijn dagboek: ‘FUCK! Ik krijg echt een gloeiende hekel aan mezelf. Kom toch eens tot RUST!’ 

Heeft u niet getwijfeld of u dat allemaal naar buiten moest brengen? [Ja, .... Anders had hij zijn dagboeken, brieven en notities niet keurig gerubriceerd in dozen naar het Literatuurmuseum gebracht....] In 1992 noteerde hij al in zijn dagboek: ‘FUCK! Ik krijg echt een gloeiende hekel aan mezelf. Kom toch eens tot RUST!’ Zwaag ging ten onder aan zijn eigen angsten, ambitie en moralisme.’

Zwagerman predikte eerlijkheid, liet zich erop voorstaan dat hij een ‘honnête homme’ was.

[Overleven door te polemiseren?]

‘Net als de bewonderde Gerrit Komrij en Jeroen Brouwers, met wie hij al sinds de puberteit correspondeerde. Hij maakte schoon schip in de poëzie voor de Maximalen, beet zich vast in vetes met Michaël Zeeman en Anil Ramdas, maar was er ongeschikt voor. Veel te lichtgeraakt en snel gekwetst. Als hij de apenrots wilde beklimmen, moest hij op tegen generatiegenoten als A.F.Th. van der Heijden en een aanstormend talent als Arnon Grunberg.’

Vrouwen speelden geen rol in zijn literaire universum, schrijft u.

‘Dat heeft mij óók als vrouw natuurlijk getroffen. Joost spiegelde zich alleen aan mannen, liefst aan Amerikaanse cultschrijvers als William Burroughs, Jack Kerouac, Truman Capote, Philip Roth. Als hij al over vrouwen schreef, was het vaak denigrerend. Connie Palmen, zijn ‘ergernis numero uno’, noemde Joost in een brief ‘de weduwe Meijer’ met ‘dat narcistische therapeutische schijnfilosofische kuttekopproza’. Later nam hij het wel voor haar op.’

Hij hield wel van vrouwen.

‘Ja, om mee naar bed te gaan! Maar toch vond ik hem geen macho. Eigenlijk wilde hij een meisje zíjn. ...
Vriendschappen met mannen liepen vaak op de klippen uit concurrentiedrift.

‘Adri van der Heijden raadde Joost al vroeg aan om het schrijverschap niet als ‘een soort Sterrenslag’ te zien. ‘Elkaar vliegen afvangen, in plaats van hard werken en op hoog niveau produceren.’ Van der Heijden hield hem voor zich niets aan te trekken van anderen en door te werken: ‘Dat is het pad van de echte kunstenaar.’’

Maar Zwagerman kon dat niet.

‘Joost was zich wel bewust van de verwoestende werking die de apenrots op hem had. Nadat Chaos en rumoer in 1997 keihard was afgekraakt, kreeg hij in 2002 nog slechts één roman op papier: Zes sterren. Toch liet hij zich in 2010 nog portretteren als de kroonprins van Harry Mulisch, de Grote Eén van de vaderlandse letteren. Hij durfde het masker van de successchrijver niet af te zetten om zijn ‘echte’ gezicht te laten zien. ‘Flaubert voelde zich een overtollig mens en gaf het leven zin door schrijven’, zei Joost, ‘voor mij geldt dat idem dito.’ Hij dacht: zonder de literatuur ben ik niemand meer.’
... 
...    ‘Achteraf kun je vaststellen dat Joost zijn hele leven bij vlagen last van depressies heeft gehad’

Was de scheiding de oorzaak van zijn depressie?

‘Nee. Depressie is een ziekte, en er speelde veel meer in zijn leven waar hij niet uitkwam. Achteraf kun je vaststellen dat Joost zijn hele leven bij vlagen last van depressies heeft gehad. Zijn leven werd lijden. In 2014 werd hij zelfs opgenomen in een ggz-kliniek in Epen, op aandringen van Maaike en psychiater Bram Bakker.’

Verlangde hij uiteindelijk naar de dood?

‘Al in de schoolkrant, De kabel, schreef Joost over zelfmoord. Hij vroeg Jeroen Brouwers, auteur van de ‘zelfmoordbijbel’ De laatste deur, het hemd van het lijf. Maar een obsessie werd het pas in 1998 toen zijn vader, Jaap Zwagerman, een mislukte zelfmoordpoging deed. Joost heeft dat zijn vader enorm kwalijk genomen, beschouwde de daad als een misdaad jegens de nabestaanden.

‘Toen zijn oude vriend, de dichter Rogi Wieg, in de zomer van 2015 euthanasie werd verleend wegens ondraaglijk psychisch lijden, was Joost helemaal kapot. Zelfs Rogi had hij niet kunnen beschermen. Hij was mislukt, vond hij zelf: als vriend, als vader, als zoon, als echtgenoot en partner – en als schrijver.’

U beschrijft zijn zelfmoord niet als een vlaag van verstandverbijstering, maar als een weloverwogen keuze.

.... In het gedicht Lief schreef hij dat zijn dood misschien ‘een vergissing van God’ was.

‘Misschien zou Joost, als hij het wel had overleefd, spijt hebben gehad. Dit gedicht schreef hij in een roes in de zomer van 2015, vlak voor zijn dood. Het is van een wrede schoonheid. Joost keert terug naar huis, naar God. Hij vraagt vergiffenis aan zijn lief. Het gedicht vervult je met compassie voor zijn tragische leven.’

Mijn lief, vertrouw ook
nu op mij. Ik ben niet weg,
God ademt mij. Mijn lief,
wees alsjeblieft heel lief
voor mij. Misschien heeft God
Zich in mijn dood vergist.

Cv Joost Zwagerman

18 november 1963 geboren als Johannes Jacobus Willebrordus Zwagerman in Alkmaar.
1975-1981 Havo aan Rijksscholengemeenschap Kennemerland in Alkmaar.
1981-1983 Pedagogische academie Bergen, pabo Alkmaar.
1984 Studie Nederlandse taal- en letterkunde (stopt voortijdig in 1987).
1986 Debuutroman De houdgreep.
1987 Langs de doofpot, eerste dichtbundel.
1989 Gimmick!, roman over de Amsterdamse kunstscene in de jaren tachtig.
1991 Vals licht, roman over de liefde tussen een student en een prostituee. Verfilmd door Theo van Gogh in 1993.
... 

2013 Americana 1 & 2. Omzwervingen in de Amerikaanse cultuur.
2014 Opgenomen met depressie in psychiatrische kliniek in Epen.
8 september 2015 Pleegt zelfmoord in zijn huis in Haarlem.
2015 Laatste essaybundel over kunst De stilte van het licht verschijnt.
2016 Geboorte zoon. Dichtbundel Wakend over God verschijnt postuum.  

(bron: Onno Blom, Gepubliceerd op 26 november 2025, https://www.volkskrant.nl/boeken/biograaf-maria-vlaar-leerde-zwagerman-van-alle-kanten-kennen-joost-bleef-een-angstig-burgermannetje~bf8f3965/)

Twee - Recensie

In 1983 studeerde ik Nederlands in Groningen. Het was de tijd van Herman Brood in Huize Maas en Max van den Berg met zijn verkeerscirculatieplan. Bij het studentencorps wierp men een piano van het balkon. Met een aantal plezierig gedrevenen begon ik een literair-cultureel blaadje. Mijn eigen gedrevenheid was zo groot dat ik zelfs een nacht in een politiecel terechtkwam wegens illegaal aanplakken op de Vismarkt. Al bij de allereerste reclameposter ‘Koopt en leest allen De Factor’ werd ik gearresteerd. Honderd affiches en een emmer plaksel verbeurdverklaard. In De Factor was ik een poëzierubriek begonnen, Het Gat Gedicht. Ik riep dichters op werk in te zenden en ik schreef erbij dat er uitdrukkelijk niet gekeken werd naar namen, reputaties en relaties of grachtengordelherkomst. Het werk moest het doen. Het was mijn eerste kennismaking met het verschijnsel slush pile. Er kwam heel veel rijmelarij binnen. Maar ook een paar brieven van een zekere J. Wagnermaz – de negentienjarige Joost Zwagerman uit Alkmaar. 

Die brieven bezit ik niet meer. Een paar jaar geleden stuurde ik ze naar Maria Vlaar, de biografe van Zwagerman. Niettemin zie ik het hoekige handschrift in BIC-ballpoint nog voor me. Zwagerman stuurde een gedicht dat ‘Een verwording’ heette en een kort verhaal ‘Henrik en het kaatsen’. Vlaar citeert het gedicht integraal. Wat me echter het meest bijgebleven is, is de zelfverzekerde inhoud van de begeleidende brief. Daarin proclameerde Zwagerman niet alleen wat een dichter moet doen maar ook wat een beeldend kunstenaar moet doen: kunst maken omdat je niet anders kunt, omdat het je bestemming is, zonder je iets aan te trekken van de communis opinio, van cultuurpausen of de mode. Het beviel mij zeer: ook een gedrevene.

Kijken naar mensen is nooit objectief - Nu hebben we Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman, 768 pagina’s dik. Het is een overrompelende leeservaring. Volkskrant-recensent Joost de Vries betoogde op tv dat een goede biografie ervoor zorgt dat je de beschreven persoon ‘binnen ziet komen in je kamer’ of woorden van gelijke strekking. Dat gebeurt in Zwaag. 

De Vries kwam aan het woord in Nieuwsuur. De redactie wijdde een item aan het verschijnsel biografie. Eerst was er reuring over de bio van schrijver Heere Heeresma door Anton de Goede. Die verbloemde (terecht) niet dat HH nogal eens vreemdging. Toen kwam Zwaag. Daarin verbloemde Maria Vlaar (terecht) niet dat Zwagerman heel veel vriendinnetjes had, ook wanneer hij een ‘vaste’ relatie had, dat hij geen problemen had met betaalde seks, dat hij coke gebruikte en dat hij met heel veel mensen ruzie maakte. Shame and scandal levert interessante televisie op. 

Kijken naar mensen en levensverschijnselen is nooit objectief. Al helemaal niet als je terugkijkt. Je kiest waar je de spotlights op richt. Daardoor blijft een flink deel in het duister gehuld. De ruimte van het volledige leven is te groot om in kaart te brengen, ook als je 768 pagina’s wijdt aan een leven. Waarbij framing op de loer ligt. Het is een onvermijdelijk risico bij het schrijven van een biografie. Maar ook bij het lezen ervan. De biografielezer framet onvermijdelijk evenzeer als de biografieschrijver. Ik raakte de tel, de draad en mijn interesse kwijt bij de veelvuldige passages over het liefdesleven van Joost Zwagerman. Ik werd ongeduldig bij de in extenso beschreven financiële en juridische perikelen als gevolg van de vechtscheiding tussen Arielle Veerman en Joost. Het kon mij niet (meer) schelen wie de Denon-geluidsinstallatie bij de boedelscheiding toegewezen kreeg. Ik moest denken aan Martin van Amerongen die ooit betoogde ‘dat niemand geïnteresseerd is in het matineuze broodje zweetkaas dat de gebiografeerde elke ochtend placht te nuttigen’. Tja. Wat wel, wat niet, en hoeveel dan wel of niet, en waarom? Uitgangspunt: alles opnemen wat kan helpen om leven en vooral werk van de gebiografeerde beter te begrijpen. Weglaten wat irrelevant is. Daar zijn de geleerden en de liefhebbers van het genre het wel over eens. 

Daar hebben we het volgende probleem bij het biograferen: volledigheid. Met verbazing en plezier las ik in Zwaag hoe Joost als tienjarig ventje begint met de Zwagergids. Zijn eigen blaadje. Zoals Jan Cremer begon als reporter van zijn eigen Jan Cremer Krant. Tientallen pagina’s wijdt Vlaar aan de Zwagergids en maakt zo duidelijk waar de tomeloze ambitie en gerichte belangstelling van Zwagerman vandaan gekomen zijn. Onze Joost was een bijzonder kind en dat was-ie. 

Waken voor heiligenleven, maar ook geen demonografie - Niemand begint aan een levensbeschrijving van een oninteressant iemand. Geen schrijver en geen lezer. Zwagerman was bijzonder, charmant, charismatisch en getalenteerd. Hij was ook bij vlagen kleingeestig, rancuneus, onbetrouwbaar, opportunistisch. Zoals iedereen, hoe cultuurpessimistisch dat ook klinkt. Wie brood snijdt, weet dat je van je af moet snijden. Wie een biografie schrijft, weet dat je vreselijk alert moet zijn op alles wat het verwijt van een hagiografie op kan leveren. Waken voor een heiligenleven. Die alertheid kan ontremmen. Waarbij de balans doorslaat: een ‘demonografie’ is ook niet de bedoeling. Neen, een hagiografie is volstrekt onwenselijk, maar dient een biograaf toch ook niet min of meer te houden van zijn of haar onderwerp?

Arjen Fortuin karakteriseert in NRC Zwaag lovend als een ‘analytische’ biografie. Die term is inderdaad van toepassing. Maria Vlaar schetst het gezin waar Joost uit kwam, de rol van de overbezorgde moeder met smetvrees, de lieve vader die een zelfmoordpoging deed en na een mislukte affaire met de gymlerares van zijn school terugkeerde naar zijn gezin. Vlaar brengt in beeld hoe Joosts middelbareschooltijd verliep met Arielle, zijn latere echtgenote en met vrienden. Hoe zijn enorme ambitie hem ertoe brengt zichzelf uit te nodigen bij Sonja Barend. Al dat soort relevante CV-info wordt verstrekt. Precies weten met welke vrouwen Zwagerman het bed gedeeld heeft en wanneer, ik zei het al eerder, hoeft voor mij niet. Voor het begrijpen van ’s mans karakter is het voldoende in te zien dat die enorme hoeveelheid liaisons, verliefdheden, onenightstands, liefdes getuigen van een verwilderd willen dat zich niet richten kon. Joost hield van alle vrouwen. Heel veel. De ene dag heel veel van de een en de andere dag heel veel van de andere. Als we dat allang inzien, hoeft de lange lijst van nummertjes van Joost niet meer volledig afgewerkt te worden. Dan wordt het bijna wreed-eerlijk, misplaatste volledigheid die niets toevoegt aan de analyse. Een beetje liefde voor het onderwerp behoedt je voor wreedheden.

Een heel boeiend aspect van Vlaars boek is het kleurrijke tijdsbeeld vanaf de jaren tachtig. We volgen de draufgänger Joost in zijn avontuurlijke carrière richting het felbegeerde succes als schrijver. Hij scoort enorm met Gimmick!, de roman over de kunstenaarsclub rondom de Roxy, de jongens die zich als de Maximalen profileren, boordevol Sturm und Drang, de kunst van het grote gebaar. Overmatig groot, achteraf beschouwd. De bomaanslag op kunstenaar Rob Scholte, de teil met vis die uitgekieperd werd op literatuurpaus Michael Zeeman: een drukte van belang. Nu ja: belang… sommigen zeggen achteraf: tant de bruit pour une omelette. 

In zijn Volkskrant-bespreking vraagt Joost de Vries zich af in hoeverre de stennis van de Maximalen en Zwagermans neiging tot polemiek een generatiegebonden verschijnsel is. Het is maar een theorie, schrijft hij, maar misschien heeft het te maken met een zich emanciperende middenklasse: arbeiderskinderen die dankzij een studiebeurs ‘hogerop’ komen en hun kennis en smaak willen etaleren. Anders dan tegenwoordig was Nederlands in die jaren een toonaangevende studie. Polemiseren werd een sport, een vak apart, een uiting van ambitie. Zwagerman greep elke gelegenheid tot polemiek met beide handen aan. Vlaar maakt duidelijk dat die neiging uiteindelijk pathologisch werd en veel schade heeft veroorzaakt. 

De tijd van toen proberen te begrijpen - Biograferen is ook: de tijd proberen te begrijpen. Wie kijkt naar de jaren tachtig in Nederland en meer specifiek naar het literaire klimaat in die jaren kan niet anders dan vaststellen dat alles heel anders geworden is. ‘Met de kennis van nu’ zeggen we: beter. Allemaal ijdele meneren op de literaire apenrots. Het woord ‘narcist’ was nog niet zo in zwang als tegenwoordig, maar masculien narcisme was alomtegenwoordig. Maria Vlaar stipt het veelvuldig aan. De bokito’s speelden de baas. Helaas. Vanuit dat perspectief kun je met gemengde gevoelens aankijken tegen Zwagermans liefdesleven. Stapte hij, de gelauwerde, charismatische auteur, de Bekende Nederlander, niet al te makkelijk en zelfzuchtig met vrouwelijke fans in bed na een voorleesavond? Me too in de jaren tachtig? In de biografie beziet Maria Vlaar met de ogen van 2025 Zwagermans escapades en soms expliciet, vaak tussen de regels proeven we haar oordeel: niet oké Joost… Maar het was een andere tijd. Wie kijkt vanuit het nu naar toen moet zich ervan bewust zijn hoezeer de blik gestuurd wordt door het nu. 

In het nawerk van Zwaag vinden we niet alleen bijna honderd pagina’s noten maar ook een verantwoording. In een kort alineaatje wordt opgesomd wie er niet geïnterviewd wilde worden. De drie volwassen kinderen van Joost staan erbij. Het roept de vraag op waarom ze niet wilden praten met de biografe. Allerlei antwoorden zijn denkbaar. Misschien raakt een van de mogelijke antwoorden aan iets essentieels bij het schrijven van een biografie: afschermen van het privéleven van familie en vrienden. Het lijkt een richtlijn: niet biograferen over iemand die nog leeft. Waarbij er, ook tien jaar na het overlijden van de gebiografeerde, soms nog geen ruimte is om de objectiverende biograaf binnen te laten in de intimiteit van het leven van de dierbare. 

Aan het eind bewondering en compassie - Halverwege Zwaag begon ik Joost Zwagerman een overambitieus, ijdel en egoïstisch mannetje te vinden. Aan het eind van het boek overheersten bewondering en daarna compassie. De laatste tweehonderdvijftig pagina’s van de biografie zijn wat mij betreft het meest meeslepend. Vlaar noemt dit deel 3 ‘De lezer’. Na drie succesvolle romans (Gimmick! (1989), Vals licht (1991) en De buitenvrouw (1994)) zakt Zwagermans romanschrijverschap weg. Hij leest, kijkt en schrijft en spreekt daarover, presenteert Zomergasten (2003) en is vaste gast bij De Wereld Draait Door (2012). Met groot publiek succes. De biografe slaagt er in haar laatste deel op indrukwekkende wijze in de lezer te laten zien hoe Zwagermans kwetsbare karakter en depressiegevoeligheid leidde tot zijn treurige einde. De buitensporige ambitie, de treurnis van de apenrots, de oneindige hoeveelheid geïnvesteerde energie, de pathologische fixatie op zelfmoord, het verwilderde willen, dat alles samen eiste zijn tol. [En dan...] Op 8 september 2015 .... 

In februari 2015 had Zwagerman  zijn literaire archief, maar liefst 42 dozen vol, overgedragen aan het Letterkundig Museum. ‘Een echte schrijver krijgt een Verzameld Werk en een biografie,’ schrijft hij ergens. De biografie is er. Een maximale leeservaring die zeer tot nadenken en relativeren stemt. (Paul Abels, https://verstwee.nl/uitgelicht/tomeloze-verwoestende-ambitie/ )

Drie - Essay: Vecht, Huil, Lach

Volgens Maria Vlaars nu al veelbesproken biografie Zwaag was het leven van schrijver Joost Zwagerman vol geruzie en mateloze ambitie. Dat hoorde ook wel een beetje bij zijn generatie, voor wie polemiek voeren een middel was om boven de anderen uit te steken. 

De vete begon in het hoge noorden. Het was 1987 en in de Leeuwarder Courant oordeelde Michaël Zeeman – domineeszoon, gesjeesd student, boekverkoper en beginnend criticus – over twee poëziedebuten: Anneke Brassinga’s Aurora, en Joost Zwagermans Langs de doofpot.

Brassinga, oordeelde Zeeman, was ‘een heel bescheiden talent’. Maar Zwagerman, die was nog erger.

Zijn bundel stond vol ‘protserige zinnen, die luid stampend binnenkomen, maar die bij een voorzichtige inspectie niet veel meer dan hun eigen gedreun zijn’. Het was het werk van ‘een belegen schooljongen, stoer maar onbeduidend’.’

Voor de volledigheid: Anneke Brassinga won later de P.C. Hooftprijs, Zwagerman werd de bekendste schrijver van zijn generatie, en Michaël Zeeman de meest gewichthebbende criticus. Maar dat was later pas.

Een jaar later besprak Zeeman weer een bundel waarin Zwagerman voorkwam, weer in de Leeuwarder Courant.

Die bundel was een verzamelaar van een los-vaste groep hemelbestormende jonge dichters, die niet konden nalaten te vermelden hoe hemelbestormend ze waren. De Maximalen werden ze genoemd. Zwagerman beschreef hun poëtica als ‘De kunst van het grote gebaar, waarbij dan ook alles wordt geannexeerd, hoge en lage kunst, de liefdeslyriek en de pornografie, cocaïne en de gezondheidscultus, kortom de Tros en [literair tijdschrift] De held.’

Zeeman oordeelde dat de lezer te maken had met het ‘gejoel van het speelkwartier’: ‘De wil is er wel, maar het talent, meneer, het talent.’

De kop boven de recensie was ‘Een teil vol rotte vis.’

Een paar maanden later, in september 1988, trad Zeeman op met zijn eigen poëzie, in het Delftse Flora Theater. De Maximalen waren er ook. En zodra Zeeman begon met voorlezen, snelde Maximaal-dichter Arthur Lava het podium op en kieperde een teiltje vis over Zeeman heen, eerder die dag gekocht op de Amsterdamse Albert Cuyp-markt.

Paniek, sensatie. Er werd ‘fascisme’ geschreeuwd. Lava werd door de barman gedwongen de vis op te ruimen. ‘Ik nodig iedereen uit om morgen bouillabaisse bij mij te komen eten’, riep hij.

En Zeeman? Willem Otterspeer schrijft in zijn recent verschenen Zeeman-biografie In alles ben ik groot: ‘Michaël was helemaal van de kaart. Donkere ogen, met daarin een witte paniek. Dit was niet de poëzie van het schoolplein, dit was de agressie van het schoolplein. Hier was een boomlange man gekrompen tot het jongetje op Marken, dat op zijn hoede naar school liep en gehavend thuis kon komen.’
In de loopgraven

Zeeman sloeg terug.

Hoewel Zwagerman niet bij de visteil aanwezig was, zag Zeeman hem als aanstichter. De twee groeven hun loopgraven. Het waren mannen met strak afgestelde antennes, wie was voor ze, wie tegen. En wie dan voor de ander was, moest per definitie tegen hen zijn.

Zeemans uppercut kwam jaren later, in 1997. Zwagermans Chaos en rumoer was verschenen – over een afzakkende schrijver die zich in de mediawereld staande probeert te houden. Wie de sleutelroman goed las, zou in een alcoholistische ‘kobold’ Zeeman herkennen.

Inmiddels zond de VPRO Zeeman met boeken uit, en onvermijdelijk kwam Chaos en rumoer ter sprake.

Je kunt de beelden op YouTube terugzien: Zeeman weet precies wat hij doet. Gretigheid zou hem verraden. Dus hij praat langzaam, alsof hij zoekend is, terwijl hij exact weet waar hij naartoe gaat.

De roman is, zijn stem gaat theatraal omhoog, ‘een ramp. Wat voor drama heeft zich hier voltrokken aan een auteur die je vroeger tenminste nog veelbelovend kon noemen?’

Je ziet panelleden Xandra Schutte en Aleid Truijens opgelaten kijken, al heb je ergens het idee dat ze hun lachen om Zeemans schmierende verzuchtingen moeten inhouden.

Het boek is, zegt Zeeman, ‘erbarmelijk’. Schutte, fideel, beschaafd, zegt tegen Zeeman dat als hij een boek zo negatief introduceert, ze zich wel verplicht voelt het ervoor op te nemen. Dit geeft Zeeman de perfecte vrijbrief: doordat zijn panel Chaos en rumoer verdedigt, kan hij zijn kritiek herhalen en herhalen.

In NRC schreef achterpaginacolumnist Frits Abrahams over een ‘openbare executie’. Biograaf Otterspeer vindt dat grote woorden en zegt: ‘Gewone wederzijdse polemiek. En dat hoefde de vrolijkheid niet in de weg te staan.’

Het was heerlijke tv. Behalve dan, natuurlijk, voor Joost Zwagerman zelf. Want die zat laaiend voor zijn toestel, schrijft Maria Vlaar in haar nu net verschenen biografie Zwaag – De zeven levens van Joost Zwagerman.

Dit was het grote nadeel van zijn ‘polemiekmanie’: Zwagerman reageerde graag en vinnig en bij voorkeur in de krant als hij vond dat iemand het bij het verkeerde eind had. Hij schepte eer in zijn openbare vetes. Maar, en dit ziet Vlaar als een van de vele tegenstrijdigheden in zijn leven: hij was niet opgewassen tegen de tegenaanvallen die hij zelf uitlokte.

Waarom dan die polemieken?

Hier volgt een theorie, dus voel je vrij het ermee oneens te zijn:

Ooit gingen de sluizen open. Na de oorlog. Een hele generatie middenklassekinderen kon gaan studeren, iets wat hun ouders niet hadden gekund.

Er kwamen beurzen, studenten eisten en kregen meer inspraak. Binnensteden kregen een nieuw studentikoos gezicht, nu eens niet corporaal, maar tegencultureel. De nieuwe student had een abonnement op Vrij Nederland, liep mee in demonstraties, had een zwak voor de links-extremistische Baader Meinhoff Groep. Ik chargeer. Dit tijdperk wordt nostalgisch ‘De Gouden Jaren van het Linkse Levensgevoel’ genoemd.

Deze opwaartse sociale mobiliteit kende een culturele component. Want als kennis het middel werd om jezelf te verheffen, dan was smaak – het verfijnde, verinnerlijkte broertje van kennis – het middel om je te onderscheiden.

Kennis en smaak kwamen perfect samen in cultuur, en dan bij uitstek in literatuur. Lezen is een inspanning die je maar moet kunnen opbrengen. Literatuur is iets dat je moet begrijpen, en omdat dit begrijpen altijd een kwestie van interpretatie is, kun je ook vinden dat anderen het niet begrijpen. Literatuur kent genoeg mainstream en niches om je smaakpapillen op uit te testen. Schrijvers kennen poëtica waarmee je je kunt identificeren, of waarop je juist kunt afgeven.

Bovendien stonden schrijvers in de krant en kwamen ze op tv. De drukken van romans groeiden in oplage. In die tijd, vanaf de late jaren zeventig, was Nederlands zo’n beetje de toonaangevende studie, zeker in Amsterdam. In Utrecht kende Nederlands zelfs een numerus fixus.
Quote van .

    Wie ‘begreep’ literatuur het beste, wie koppelde de letteren het slimst aan de maatschappij, wie was echt, wie was nep?

Kortom, een gouden moment. Maar dus ook een moment waarin literaire smaak een concurrentiepositie werd. Wie ‘begreep’ literatuur het beste, wie koppelde de letteren het slimst aan de maatschappij, wie was echt, wie was nep, wie proefde de hoogste honing?

En zo werd polemiek een vak apart. Natuurlijk kwam ze ook voort uit een ideeënstrijd, uit botsende waarden, uit een noodzaak tot publiek debat. Maar het is moeilijk ze niet te zien als een uiting van ambitie om hoger te klimmen dan anderen.

(Het verklaart ook waarom de polemiek vandaag een zwarte-neushoornesk genre is, met uitsterven bedreigd. Studie is niet exclusief meer, literaire smaak niet langer een breedgedragen verheffingsmiddel.)

In dit systeem kun je Michaël Zeeman (1958-2009) en Joost Zwagerman (1963-2015) plaatsen. De eerste een vereenzaamde, mishandelde domineeszoon die opgroeide in Friesland en Groningen, en wilde laten zien dat hij het een stuk beter begreep dan die populaire jongens en meisjes in de Randstad.

De andere een hyperambitieuze jongen uit Alkmaar die zijn burgerlijke, dominante ouders wilde afschudden, en naar Amsterdam kwam om de bovenste trede van de literaire apenrots te beklimmen.

Vandaar ook dat juist deze twee elkaar zo haatten. Je wordt geen grotere gorilla door kleine chimpansees op de kop te timmeren. Je kunt juist je moed en je spierballen tonen door achter de grootste zilverrug aan te gaan. Vermoedelijk haalden ze, al zullen ze het zelf niet hebben willen toegeven, een bepaalde status uit hun geruzie. Ook in je vijandschappen kan ambitie doorschemeren.
Do-it-yourself

Natuurlijk was Zwagerman veel meer dan slechts een kind van zijn tijd. Zwaag – De zevens levens van Joost Zwagerman is wat dat betreft een imponerend werk: imponerend omdat biograaf Vlaar een ongelooflijke hoeveelheid mensen en materiaal tot een heldere synthese verweeft.

Twee thema’s lijken de sleutel tot Vlaars synthese. De eerste is logischerwijs ambitie. Als Alkmaarse pabo-student was Zwagerman naar Amsterdam gekomen. Het was de tijd van woningnood en grootschalig verval, van do-it-yourself. Je hebt de gevestigde orde niet nodig, leerde zijn generatie, je richt gewoon zelf iets op wat toonaangevend wordt.

Hoewel hij veel in kunstenaarskringen verkeerde, was Zwagermans doel de literatuur. Hij was, schrijft Vlaar, uitgesproken ambitieus. In café Het paleis, waar veel toekomstige neerlandici na hun colleges neerstreken, wees Zwagerman een keer iedereen aan tafel aan: ‘Jij wordt later mijn redacteur, jij wordt mijn recensent, jij wordt mijn fotograaf, jij mijn uitgever.’

Ambitie zoekt ambitie, en zodoende klitte in de Amsterdamse uitgaanswereld een groepje dichters samen – zoals jonge dichters horen te doen – die de luiken van de letteren wilden openslaan. De Maximalen dus. F. Starik, René Huigen, Pieter Boskma, Arthur Lava – en Zwagerman als uithangbord, ‘de Marco van Basten van de Maximalen.’

De hedendaagse poëzie vonden ze ‘zelden of nooit imponerend’; volgens hen werd die bevolkt door epigonen van Vijftigers als Gerrit Kouwenaar, die alleen maar streven naar verstilling, degelijkheid, bloedeloosheid. Zij wilden rumoer, de straat, het volle leven.

De media waren gek op hun bombarie, ze waren overal, schreven krantenkolommen vol over zichzelf. En hieven zichzelf, door onderlinge ruzies en concurrentie, binnen een jaar na het visincindent ook weer op.

Later portretteerde Zwagerman die storm en drang van die generatie in zijn iconische Gimmick! Dat lijkt een stoer boek, waarin Zwagerman een Californische, nihilistische coolheid over zijn kunstenaarshoofdpersonen oproept, in de mode van Amerikaanse tijdgenoten Bret Easton Ellis en Jay McInerney. Maar in feite is het een verhaal van een jongen die niet weet hoe hij met zijn gebroken hart moet omgaan.

Hierin schuilt Zwagermans paradox: hij zag de coolheid van de Maximalen, bewonderde de bravoure in hun afwijzing van de gevestigde orde. Maar diep vanbinnen, schrijft Vlaar, wilde Zwagerman niets liever dan de lof van die gevestigde orde. Hij was er niet rouwig om toen de Maximalen doofden.
Paradox

Daarmee is het tweede thema genoemd: paradox.

Zwagerman voerde polemieken, maar kon niet tegen kritiek. Hij wilde rebel zijn, maar wilde ook geprezen worden. Hij wilde zichzelf als teruggetrokken dichter zien, aan zijn bureau geketend, tevreden met een paar duizend lezers, maar zat avond aan avond bij De wereld draait door aan tafel over kunst te praten.

Hij wilde autonoom kunstenaar zijn, maar was continu bezig met zijn plek in de literaire pikorde. Hij schreef vrienden, critici en uitgevers vlammende mails als hij iets oneerlijk vond, en was vervolgens in dezelfde mails over de raarste dingen zelf oneerlijk. In de categorie: zeggen dat hij vijf maanden in de VS zat, terwijl het vijf weken waren.

Hij verlangde naar een diepe, alomomvattende loyaliteit van zijn vrienden, maar kon die vriendschappen om de kleinste dingen opblazen. Decennialang was Jessica Durlacher zijn trouwste vriend, maar toen haar echtgenoot Leon de Winter voor zijn roman Het recht op terugkeer hetzelfde schilderij van Edward Hopper op de omslag wilde zetten als Zwagerman ooit op Vals licht, belde hij uitgevers en daarna de redacties van kranten en tijdschriften, in de hoop iedereen te mobiliseren om De Winters omslag tegen te houden. Niemand kon hem duidelijk maken hoe onzinnig zijn strijd was.

Tussen Vals licht (1992) en Het recht op terugkeer (2008) zat zestien jaar. Dat is bijna een generatie. Het ging nergens om, en het gevolg was dat hij Durlacher jaren niet sprak.

De paradoxen gaan verder: hij wilde een familieman zijn, maar ging dwangmatig, continu, vreemd, met blijkbaar iedereen die hij tegen het lijf liep. Echt: de energie. Andere mensen lopen ultramarathons.

Dit is ook het moment waarop je hoofdschuddend Zwaag leest: hij hield lijstjes bij met wie hij naar bed ging. En gaf de vrouwen dan soms cijfers.

In 2020 verscheen De langste adem – Een leven met Joost Zwagerman, sterk geschreven memoires van Arielle Veerman over haar vechtscheiding met Zwagerman. Ze was zijn jeugdliefde, ze kregen drie kinderen.

Wat mooi begon, werd steeds monomaner, zoals zij het beschreef. Zwagerman verlangde van haar niet alleen totale toewijding en loyaliteit, maar een soort identificatie, alsof ze niet zelf iemand mocht zijn. Veerman: ‘Ik moest alles zien zoals hij het zag, ik moest hem zijn en omdat ik hem niet was, deed ik het niet goed.’

Ik las De langste adem toen het uitkwam en dacht: poeh, Maria Vlaar, aan die intensiteit kun je als biograaf weinig meer toevoegen.

Maar Vlaar kan dat wel, al is het maar doordat ze de veelheid van de affaires laat zien, het zichzelf herhalende patroon van verliefd worden, het zich schamen voor zijn eigen bedrog, afhaken, jaloers worden als de minnares een ander krijgt – en weer opnieuw.

Vlaar citeert sommige vrienden die meenden dat zijn ‘kern’ leeg was. Niet voor niets had hij zijn alter ego in Gimmick ‘Raam’ genoemd, iets waar je doorheen kijkt. Door dat gebrek aan kern was er geen eenheid in al zijn kanten, er was niets dat zijn paradoxen bij elkaar hield.

Al, bedacht ik, is de term ‘paradox’ misschien te zacht, te literair, om de gespleten binnenwereld van Zwagerman te beschrijven. Als je Zwaag leest, krijg je het gevoel dat het leven van Joost Zwagerman een veldslag was waarbij hij de generaal-te-paard van beide botsende legers was. Zo’n leven kun je niet volhouden, je kunt niet al die scherven bij elkaar houden.

Abraham Lincoln: ‘A house divided against itself cannot stand.’ De ruimten tussen zijn concurrerende zelven werd steeds groter, als uiteendrijvende ijsschotsen. Uiteindelijk viel Zwagerman ertussen.
Repeterende monomanie

Zwaag is geen lineaire vertelling, maar een thematische (al ordent Vlaar die thema’s redelijk chronologisch). Daardoor kent de biografie de nodige herhalingen, maar gek genoeg lijken die herhalingen bij Zwagermans repeterende monomanie te passen. Hij vergat nooit iets. Er waren dagelijks drie, vier, vijf affaires, ruzies en boeken aan de hand in zijn leven. Doordat Vlaar al die dingen van context voorziet, leest het boek als meer dan een biografie – het wordt ook een mentaliteitsgeschiedenis van de literaire mediawereld van de laatste veertig jaar.
Quote van .

    Wat je mist is de energie die om hem heen hing. Zijn gulle lach. Zijn ontzettende nieuwsgierigheid. Zijn enthousiasme. Zijn productiviteit. 

Imponerend dus. Wel mist er iets. Misschien heeft Vlaar na haar grondige onderzoekswerk Zwagerman te stevig in haar pincet, heeft ze hem te goed onder haar microscoop bekeken voordat ze hem op een kussentje prikte.

Om deze matige metafoor af te maken: je wilt de vlinder toch zien vliegen.

Ik bedoel: wat je mist is de energie die om hem heen hing. Zijn gulle lach. Zijn ontzettende nieuwsgierigheid. Zijn enthousiasme. Zijn productiviteit. De gretigheid waarmee hij de cultuur van dat moment wilde beetpakken en analyseren. Als hij in een kamer was, was hij niet te missen. Hij had talloze affaires, dus dan moeten die vrouwen toch ergens op zijn gevallen? Waarop dan?

De laatste plaagstoot in de Zee & Zwagerpolemiek was tegelijk een van de raarste, of dubbelzinnigste.

Na talloze ruzies op de redactie van de Volkskrant vertrok Michaël Zeeman naar Rome, om correspondent te worden. In de zomer van 2006 schreef hij een lange brief aan Zwagerman, een goedmaakbrief.

‘Beste Joost (..) zodra het om mij of, liever gezegd, de weerbarstige verstandhouding die jij en ik nu al zo lang met elkaar hebben en wederzijds cultiveren gaat, wil ik je deelgenoot maken van enkele milde en oprecht bedoelde overwegingen. Misschien zijn die het product van de voortschrijdende ouderdom, misschien van mijn in het algemeen nogal veerkrachtige levensgeluk, wie zal het zeggen.’

Er was meer dat hen bond dan scheidde, schreef Zeeman: ‘Beste Joost (...) Ik denk dat er, als gezegd, te veel is dat ons, hoe verschillend ook, verbindt om dat, na achttien jaar van slechte betrekkingen, niet eens achttien jaar te onderzoeken.’

Zelden werd een strijdbijl hoffelijker begraven zou je denken – behalve dan dat beide biografen er niets van geloven. Maria Vlaar schrijft dat er van een antwoord van Zwagerman geen spoor valt te vinden: ‘Het lijkt erop dat hij de verzoeningspoging niet serieus heeft genomen.’

Otterspeer komt tot dezelfde conclusie: ‘De toon van de brief lijkt eerder het spel van one-upmanship dan werkelijke toenadering.’

Het is een verbluffend staaltje, als je erover nadenkt. Zeeman die Zwagerman vanaf een zomers terras in Rome om de oren slaat met een ‘kijk mij eens de grotere persoon zijn’. Zelfs vanuit Rome zag hij die apenrots nog in de verte torenen.

En nog een ding over die apenrots van weleer:

Zwagerman kon akelig stekelig reageren wanneer iemand hem meedeelde dat scholieren hem zo graag voor hun lijst lazen. Dat hoorde ook bij die tijd blijkbaar, eind vorige eeuw: romans moesten hoge literatuur zijn, dus wie op de middelbare school populair was, was suspect. Zwagerman maakte er ruzie over met Giphart, die hij maar een ‘een popi’ vond, alsof zijn boeken slechts ‘leesbevordering waren’.

Tijden veranderen. Vorige week plaatste uitgeverij Pluim trots het bericht op haar socials dat Hanna Bervoets’ roman Alles wat er was het vaakst door docenten Nederlands aan hun leerlingen wordt aanbevolen.

En Hanna Bervoets? Die deelde dat bericht vrolijk. Want waarom zou je daar niet trots op zijn?

Maria Vlaar: Zwaag – De zeven levens van Joost Zwagerman. (Joost Zwagerman staarde zich blind op de literaire apenrots. Maar hij was zeker niet de enige, Joost de Vries, 2 december 2025,
https://www.volkskrant.nl/boeken/joost-zwagerman-staarde-zich-blind-op-de-literaire-apenrots-maar-hij-was-zeker-niet-de-enige~b5e11125/)  

Vier

De kritiek heeft niet altijd gunstig gereageerd op het werk van Zwagerman. Een vaak terugkerend verwijt is dat het te oppervlakkig en te uitbundig zou zijn. Verder zou Zwagerman op een te vrijblijvende wijze citeren uit het werk van anderen en zou het werk geen echt eigen thematiek bezitten. Zo vond Robert Anker dat Vals licht niet boven het niveau van een sociale vertelling uitstijgt, ‘en zich nergens verbreedt tot een meer algemeen menselijke thematiek.’ (Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur(1980-2015)– Joost Zwagerman, door Arie Storm
https://www.dbnl.org/tekst/zuid004krit01_01/kll00657.php)

En is ook iemand die een religieuze focus op de biografie heeft, dat vond ik in Trouw.
"Er moet iets desperaats bezit hebben genomen van Joost Zwagerman. Wie niet meer menselijkerwijs kan uitleggen wat zo kwellend is, zoekt het hogerop, bij God... (Stephan Sanders, 16 september 2025, 
https://www.trouw.nl/columnisten/er-moet-iets-desperaats-bezit-hebben-genomen-van-joost-zwagerman~b28ce9aa/)

Over de psychologische kant schrijft het Parool: "Was het ego van Joost Zwagerman en zijn mannelijke generatiegenoten te groot?" (https://www.parool.nl/boeken/was-het-ego-van-joost-zwagerman-en-zijn-mannelijke-generatiegenoten-te-groot~b692c4d5/)

En qua (levens)filosofie. Zijn daar verhalen over? Ik heb ze niet gevonden, misschien wel in de biografie zelf, mogelijk impliciet.

Daar op zoekend kwam ik deze bijdrage van historicus Wim Berkelaar tegen:
  • De kritiek nam echter niet af, integendeel: de teneur bleef dat Zwagerman de grote greep schuwde, teveel aan de buitenkant bleef, niet ‘onder zijn eigen huid’ durfde te kruipen in zijn literatuur. Een van de scherpzinnigste bijdragen ooit over zijn werk geschreven kwam van de hand van filosoof Maarten Doorman. Onder de achteraf profetische titel ‘Veilig op de vlucht. Joost Zwagerman en het verlangen te verdwijnen’ schreef Doorman op 14 november 2003 niet als eerste (Hans Goedkoop ging hem voor) dat Zwagermans stijl zo soepel is dat hij overal over heen scheert en niets echt aanraakt, zelfs niet als hij grote thema’s aansnijdt, zoals zelfmoord. (https://wimberkelaar.com/2020/03/17/arielle-veerman-de-vrouw-die-zichzelf-terugvond-na-een-leven-met-joost-zwagerman/)


--
--

 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Het grootste bordeel van Europa

Typisch Spaans: Balay

Wat doet een Chief Economist - Officer?