Het Schaap (en andere dieren) in de Bijbel
Ik begon vrij naïef eens te kijken welke dieren in de bijbel genoemd worden. Zo kwam ik tot een eerste overzicht, waarvan hier een uittreksel. In het nieuwe testament komen betrekkelijk weinig dieren voor. Het schaap of schapen wint het in ieder geval:
- schapen,11 (schaap,1), gans,4
- wolven,4 (wolf,2), ezel,3, leeuw,2
- walvis,1, vos,1, beer,1
- paard,1, hond,1
- ...
- schapen,123 (schaap, 4), gans,44, leeuw,35, ezel,16, rund,12
- duif,7, paard,7, geit,6, beer,4, schaap,4, beren,3, muizen,2
- wolf,2 (wolven,1), ree,2, hond,2
- varken,1, vos,1, vlieg,1, walvis,1
- hert,1, kraai,1, muis,1, konijn,1, steenbok,1
- ...
Symboliek
Details
- "Schapen worden, natuurlijk, vaker genoemd dan elk ander dier in de Bijbel, zowel letterlijk als figuurlijk. Psalm 23, een van de meest geciteerde verzen, is gebaseerd op de relatie tussen schapen en herder. Er is het gelijkenis dat Jezus vertelt, waarin een herder 99 schapen achterlaat in de schuur om uit te gaan en op zoek te gaan naar het ene verloren lam. (Lucas 15: 3-7) Het Evangelie van Johannes heeft een hele hoofdstuk over Jezus als de Goede Herder, en zijn volgelingen worden vergeleken met de schapen die hij kent en verzorgt. (Johannes 10) En in het Evangelie van Mattheus, bij het laatste oordeel waar Jezus de heerser van het heelal vergeleek met een herder die schapen scheidt van bokken, zijn het de schapen die Christus herkennen in hun naasten, en onwetend eer bewijzen aan hem door voedsel te geven aan de hongerigen en onderdak aan de daklozen. (Mattheus 25: 31-46) En, natuurlijk, het uiteindelijke beeld van Christus is het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt. (Johannes 1: 29)" (bron: https://fpc-mc.com/wp-content/uploads/2020/10/animals-in-the-bible.pdf)
Een zwijn gold vanouds als beeld van vuilheid, Spreuken 11:22; Matth. 7:6; Petrus
2:22. Van zwijnen hoeden wordt gesproken in: Matth. 8:30; Markus 5:12; Lucas 8:32
en 15:15. misschien moeten wij er tamme zwijnen door verstaan; dat zijn een soort
varkens, zoals wij die kennen, Deut. 4:8. In de omgeving van Decapolis woonden veel
mensen van heidense afkomst, die zich niet hielden aan de spijswetten van Mozes."
gesproken. Het Hebreeuwse woord sjoe'al betekent vos. Volgens sommige taalkenners
betekent het ook jakhals. De vos komt 6 keer voor in de Bijbel. Richteren 15:4; Psalm
63:11; Nehemia 4:3; Klaagliederen van Jer. 5:18; Ezechiël 13:4.
In Richteren 15:4 komen 300 vossen voor, die Simson op één dag vangt. Sommigen
denken dat dit jakhalzen waren, want die leven in gezelschappen, maar een vos leeft
alleen, en verblijft overdag in holen.
In Israël komen verschillende soorten vossen voor. Ze voeden zich met kleine diertjes
en planten.
In het Nieuwe Testament komt de vos 3 keer voor. 2 keer in Matth. 8:20 en Lucas
9:58, in verband met de uitspraak van Jezus: de vossen hebben holen. In Lukas 13:32
wordt Herodus bij een vos vergeleken.
Behalve in de genoemde teksten komt sjoe'al nog twee keer voor. 1 Samuël 13:17 als
de naam van een landschap, Sual. In 1 Kron. 7:36 is Sual een nakomeling uit de stam
van Aser." (https://theologienet.nl/bestanden/westerbeke-dieren.pdf)
https://beam.eo.nl/artikel/top-10-dieren-in-de-bijbel
* - Mistral
Afbeelding (en meer weten): https://biblestudypro.com/bible-verses-about-animals/
118 Exodus 8 En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron zeggende: 9 Wanneer Farao tot ulieden spreken zal zeggende: Doet een wonderteken voor ulieden; zo zult gij tot Aaron zeggen: Neem uw staf en werp [hem] voor Farao's aangezicht neder; hij zal tot een draak worden.
10 Toen ging Mozes en Aaron tot Farao henen in en deden alzo gelijk de HEERE geboden had; en Aaron wierp zijn staf neder voor Farao's aangezicht en voor het aangezicht zijner knechten; en hij werd tot een draak.
13 Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden.
29 Verheug u niet gij gans Palestina! dat de roede die u sloeg gebroken is; want uit de wortel der slang zal een basilisk voortkomen en haar vrucht zal een vurige vliegende draak zijn.
Jesaja 27 1 Te dien dage zal de HEERE met Zijn hard en groot en sterk zwaard bezoeken den Leviathan de langwemelende slang ja den Leviathan de kromme slomme slang; en Hij zal den draak die in de zee is doden.
6 De last der beesten van het zuiden naar het land des angstes en der benauwdheid van waar de sterke leeuw en de oude leeuw is de basilisk en de vurige vliegende draak; hun goederen zullen zij voeren op den rug der veulens en hun schatten op de bulten der kemelen tot het volk [dat] [hun] geen nut zal doen.
9 Ontwaak ontwaak trek sterkte aan Gij arm des HEEREN! ontwaak als in de verledene dagen [als] [in] de geslachten van ouds; zijt Gij het niet Die Rahab uitgehouwen hebt Die den zeedraak verwond hebt? 10 Zijt Gij het niet Die de zee de wateren des groten afgronds droog gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een weg opdat de verlosten daardoor gingen? 11 Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN wederkeren en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen treuring en zuchting zullen wegvlieden.
34 Nebukadrezar de koning van Babel heeft mij opgegeten hij heeft mij verpletterd hij heeft mij gesteld [als] een ledig vat hij heeft mij verslonden als een draak hij heeft zijn balg gevuld van mijn lekkernijen; hij heeft mij verdreven.
3 Spreek en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie Ik [wil] aan u o Farao koning van Egypte! dien groten zeedraak die in het midden zijner rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne en ik heb [die] voor mij gemaakt.
Ezechiël 32 1 Het gebeurde ook in het twaalfde jaar in de twaalfde maand op den eersten der maand [dat] het woord des HEEREN tot mij geschiedde zeggende: 2 Mensenkind! hef een klaaglied op over Farao den koning van Egypte en zeg tot hem: Gij waart een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en gij waart als een zeedraak in de zeeen en braakt voort in uw rivieren en beroerdet het water met uw voeten en vermodderdet hunlieder rivieren.
22 En in die plaats was een grote draak en de Babyloniërs aanbaden hem.
25 Maar gij [heer] koning veroorloof het mij zo zal ik deze draak ombrengen zonder zwaard of stok.
26 En Daniël nam pek vet en haar en kookte dit tezamen en maakte daar koeken van en gaf die de draak in de muil en de draak berstte daarvan en hij zeide: Zie uw goden.
1517 Daniël 27 En het geschiedde als de Babyloniërs zulks hoorden dat zij het zeer kwalijk namen en maakten een oploop tegen de koning en zeiden: Onze koning is een Jood geworden hij heeft Bel verstoord en de draak gedood en de priesters heeft hij omgebracht.

Reacties