Het innerlijke vuur aanwakkeren
Het innerlijke vuur aanwakkeren is mijn vertaling van een boek van Leonardo Wolk, een Argentijnse coach die psychologie heeft gestudeerd en als ondernemer de Leader Group heeft opgericht. In het Spaans heet het boek, "El arte de soplar brasas," (publicatie in 2003) de kunst om op houtskool te blazen, maar dat is wel erg letterlijk, maar een duidelijk beeld: je staat voor de Barbecue en wilt dat die kooltjes gaan branden, en dan is het blazen ...
De coach, begint hij al vroeg in het verhaal heeft meerdere rollen: hij (m/v) is leider, detective, provocateur, en alchemist. Zelf schrijft hij over dit boek dat hij vele knappe koppen heeft gezien in de wereld die bij hem kwamen omdat ze vast zaten.
Het boek bestaat uit tien hoofdstukken en een bijlage dat geschreven is door ... over de essentie van Ontologisch coachen (en waar de wortels liggen, o.a. bij de filosofie van Martin Heidegger).
Ik geef hier even een kort overzicht a.d.h.v. de hoofdstukken.
Hoofdstuk 1 gaat in op het idee van de kunst van het blazen (dKvhB) en dat is de bijbel en genesis waarin God de mens schiep, maar onvolledig "achterliet," die interpretatie is afkomstig van A. Tversky. Hij voegt eraan toe dat de mens volgens Martin Heidegger, de taak op zich heeft gekregen om (mens) te zijn en de manier waarop hij dat doet bepaald de hele mensheid. Hij ziet coaching als een proces van leren (ontwikkelen?) en refereert dan aan de eerder genoemde rollen en voegt toe dat het gaat om een kunst (niet te verwarren met een kunstgreep of tool). Het begrip coach komt van het Engels trainer.
Ontologie heeft betrekking op het zijn, en dat heeft te maken met mogelijkheden. Transformationeel is een toevoeging die het element alchemie uitlegt: iedereen heeft te maken met veranderingen, maar enkel die verandering zijn duurzaam wanneer je transformeren.
Coaching is geen psychotherapie, bespreekt hij ook in dit inleidende hoofdstuk, coaching is geen corporatieve sofa (waarop de patiënt van de psychoanalyticus ligt).
Fundamentele ideeën (H2) behandelt het idee van de comfortzone, als ook het begrip verantwoordelijkheid: De coachee is verantwoordelijk voor zijn eigen transformatie. Een eenvoudig voorbeeld van "hij heeft de schuld," werkt niet bij coaching...
Transformatief leren (H3) is in essentie een terugkoppelingsproces van je verandering, je neemt actie en denkt over die actie na. Een coach die ik zelf sprak gaf het voorbeeld dat de reis die hij gemaakt had, hem had veranderd en die verandering kon daarmee niet ongedaan worden (mijn interpretatie: je kan niet de ervaring hebben van gereisd hebben, als ook niet-gereisd hebben).
Taal (H4) is het eerste fundament van Ontologisch coachen. De conversatie is het mechanisme, maar taal is waar de mens zijn zijn op baseert. En die taal wordt hier geanalyseerd a.d.h.v. van een filmscript. Dat is opgebouwd uit een kolom van actie en een andere van gedachten over die actie. Via een schaal van inferenties (gevolgtrekkingen) kan die taal objectief geanalyseerd worden. Dat mechanisme vormt de basis voor de conversationele methode.
H5 gaat in op het proces, met vier etappes en 7 stappen in het coaching. Het lichaam, en dit is nieuw in vergelijking met veel andere coachingsmethodes, is ook een onderdeel van het coachings-proces. Lichamelijke klachten staan niet los van de taal. Soms heb je teveel last op je schouders genomen en dat merk je dan aan je nek die vast komt te zitten (als voorbeeld).
H7 gaat in op de taal van de emoties. Emoties moet je als eerste zien te herkennen, dan accepteren, en vervolgens onderzoeken. Hij geeft voorbeelden van angst, schuld, boosheid of irritatie, en verdriet. Dat is er een plan van actie nodig om met emoties om te gaan. H8 gaat in op de procedure en de technieken in dat proces. En erop volgt een belangrijk onderdeel: ethiek (h9). Wanneer je met emoties omgaat dan mag ethiek niet ontbreken. Het gaat om gevoel en de kwetsbare positie van de coachee wanneer hij met een probleem komt.
Afsluitend komt hij met een open brief aan de nieuwe generatie van coaches. Die opent met een uitspraak dat een ouder die zijn kind advies geeft niet alleen ouder is, maar ook vriend. Dat komt uit Martin Fierro en dat is een fundamenteel boek in de Argentijnse cultuur. Behoud je van een te snelle diagnose, is een van de adviezen. Zorg dat je de techniek domineert en dat deze helpt maar niet leidend is en je spontaniteit niet in de weg staat, Heb aandacht voor je eigen gevoel, uit dit, en moedig het uiten van gevoel aan bij de coachee. Er zijn meer tips, maar dit is een bloemlezing.
Coach kan ook een transitie zijn: want hij stelt dat het je eigen transformatieproces helpt.
Het anexus (Rafael Echevarria) gaat in de essentie van coaching. Dat start met de sportcoach. Die wil met zijn team een overwinning behalen. De coach zoekt hier naar de factoren die dat resultaat beïnvloeden. Maar de essentie van ontologisch coachen zit in een 25 eeuwen oude traditie die begon bij de Grieken en te maken heeft met het programma van metafysica. Bij Nietzsche kwam dat programma ten einde en hij bedacht een ontologisch programma. Martin Buber zegt vervolgens dat de mens een conversationeel gericht wezen is. Wittgenstein introduceert de filosofie van de taal (de eerste rak van ontologisch coachen). J.L. Austin voegt daar een actief element aan toe (mens creëert ook taal). Conversatie zorgt vervolgens voor een eigen identiteit. Door dit taalgebruik is de mens continue betrokken in een transformatieproces. En ... daar is het: ontologisch coachen draagt daaraan bij.
Met Edgar Schein, the anxeity of learning lijkt er een einde te komen aan dit proces. Maar Umberto Maturana voegt het element van emotionele respect toe waardoor er altijd conversatie mogelijk is, en ook om het voortbestaan van ontologisch coachen te garanderen.
E.e.a. is als samenvatting en bloemlezing op te vatten. ongetwijfeld gaat Ontologie veel verder en ontologisch coachen zal ook zijn eigen visie op de wereld (en beliefs) hebben, maar als begin is dit een mooi en duidelijk boek over het "fenomeen," ontologisch coachen.
-- 30 juli 2026. Het vuur in het nieuws.
Het vuur schept, het vuur vernietigt en het vuur is leidraad voor de logica (nrc):
In de filosofie woedt het vuur alom. Ooit gaf het licht en warmte, maar tegenwoordig duikt het op in pyromane fantasieën over de eindtijd.
„Het vuur komt alles oordelen en achterhalen.” Het is (in de vertaling van Paul Claes) een van de overgeleverde fragmenten van de Griekse filosoof Herakleitos, die rond 500 voor Christus leefde in Ionisch Klein-Azië, het huidige Turkije. Een naar verluidt solitaire man, wiens wijsgerige werk is overgeleverd in vaak cryptische fragmenten. Met als de bekendste panta rei, ‘alles stroomt’ (oftewel, je stapt nooit twee keer in dezelfde rivier) en polemos pantoon pater, ‘strijd is de vader van alles’.
En die over vuur dus. Want het vuur oordeelt niet alleen – een prelude op het christelijke Laatste Oordeel, volgens sommige commentaren – het is ook ‘verstandig’ (phronimos), ‘schaarste’ (chresmosyne) en ‘overvloed’ (koros). Wat bedoelt hij daarmee? Claes ziet er een soort dialectiek in: het Vuur verenigt alles in zich, maar tegenstrijdig: „Het schept en vernietigt tegelijkertijd.” Dat kun je wel zeggen, want in nog een ander fragment heet het dat het vuur de wereld maakt én onderuithaalt. Het is „een eeuwig levend Vuur dat in dezelfde mate ontvlamt als uitdooft”.
Vroege Griekse filosofen als Herakleitos zochten naar het kosmische arche, het oerprincipe waaruit alles tevoorschijn was gekomen – en wie weet weer in ten onder gaat. En wat ligt er dan meer voor de hand dan een van de vier traditionele elementen aarde, water, lucht en vuur? Herakleitos koos voor het vuur dat licht en warmte geeft, energie dus, maar dat ook alles kan vernietigen en platbranden. Vuuroffers, om de goden gunstig te stemmen en de kosmische harmonie in stand te houden, waren schering en inslag in de antieke wereld, van het oude Griekenland en Mesopotamië tot in India.
Ook in meer strikt filosofische zin waren het niet alleen de oude Grieken die er hun vingers aan brandden. In India, eveneens bakermat van een respectabele wijsgerige traditie, ontsnapte het vuur aan de priesters en mythen en dook het op als een standaardvoorbeeld in filosofische logica. ...
Een ervan is de nyayaschool (van Sanskriet nyaya, dat zoveel betekent als ‘regel’ of ‘rationele methode’), die zich toelegde op kennisleer, logica en taalfilosofie. Als hoofdwerk gelden de Nyaya Sutras van Aksapada Gautama, gedateerd rond de tweede eeuw na Christus. Dat werk beoogt, niet minder ambitieus dan de inzet van latere Europese filosofen als Descartes, Kant of Husserl, een grondslag te leveren voor rationeel onderzoek naar de aard van de werkelijkheid.
Logica, met regels voor geldig redeneren, is daarbij onontbeerlijk. Bij de Grieken was de logica van Aristoteles oppermachtig, met het bekende drievoudige syllogisme: alle mensen zijn dieren (majorpremisse), dieren zijn sterfelijk (minorpremisse), dus mensen zijn sterfelijk (conclusie). Een logica met beperkingen (transitieve relaties zijn er niet goed in uit te drukken, zomin als de modale begrippen ‘mogelijk’ of ‘noodzakelijk’) die het niettemin heel lang volhield. Tot de wiskundige Gottlob Frege eind negentiende eeuw een revolutionair nieuw systeem bedacht, dat logica schoeide op de leest van functies en variabelen.
Dáár waren de Indiase filosofen van de nyayaschool nog niet aan toe. ....
Het schema komt ons vreemd voor, gewend als we zijn aan het Griekse syllogisme. Niet alleen door die vijf in plaats van drie stappen, maar ook omdat het begint met wat het wil bewijzen en – foei – een empirische waarneming bevat (het voorbeeld van de keuken). Is het wel deugdelijke logica? Jazeker, vinden ook moderne historici van de logica. Het schema duikt veelvuldig op in de klassieke Indiase filosofie, onder meer om de onsterfelijkheid te bewijzen van atman, het zelf. Dat gaat zo: het zelf is eeuwig (bewering), want het kan niet zintuiglijk waargenomen worden (reden), datgene wat niet door de zintuigen kan worden waargenomen is eeuwig, zoals de ruimte (voorbeeld), het zelf is niet waarneembaar (toepassing), dus het is eeuwig (conclusie). Je hoeft de conclusie niet voor waar aan te nemen, maar de redenering is geldig.
Vuur duikt in zulke redeneringen vaak op, ook in redeneringen waar van alles op af te dingen is. De grote boeddhistische wijsgeer Nagarjuna (circa 150-250 na Christus) gebruikte graag vurige voorbeelden om zijn opponenten uit de hindoeïstische scholen mee om de oren te slaan. Hij wilde aantonen dat alle stelligheid over kennis van de werkelijkheid op drijfzand berust. De begrippen waarmee we denken over onszelf en de wereld zijn in laatste instantie tegenstrijdig en ‘leeg’ (sunya). ...
... Als metafoor kan vuur natuurlijk juist heel veel betekenen. Het staat in literaire en esoterische tradities voor hartstocht, geestdrift, maar ook voor spirituele loutering en zuivering. Creatie en destructie. Van het levend verbranden van ketters en heksen in de Middeleeuwen en vroegmoderne tijd tot het wraakzuchtige brandstichten in scholen op Oudejaarsavond of zelfs het snelwandelen over hete sintels waar kermisklant Emile Ratelband in de jaren negentig een gimmick van maakte. In horrorfilms werkt die aloude rituele fascinatie met de kracht van vuur nog altijd door, van Carrie (1976) waarin een school vol puberale pestkoppen in vlammen opgaat tot de neo-heidense mensenoffers in het beklemmende Midsommar (2019).
Ook het christendom blaast het vuur aan. Sodom en Gomorra, steden vol zonde en verderf, worden in het Oude Testament vernietigd door zwavel en vuur (Genesis 19: 24-25) In de Openbaring van Johannes (20:14) spreekt de Bijbel van een „poel van vuur” die bij het Laatste Oordeel de ongelovigen zal verzwelgen, hun tweede dood: „En als iemand niet bleek ingeschreven te zijn in het boek des levens, werd hij in de poel van vuur geworpen.” Het vuur speelt in het Nieuwe Testament gelukkig ook een genadiger rol. In Exodus (3:2) spreekt God Mozes toe vanuit een brandende braamstruik (die door het vuur niet wordt verteerd, Gods belofte van behoud). Na de wederopstanding van Jezus verschijnt het boven de hoofden van zijn apostelen, tijdens Pinksteren. „En aan hen werden tongen als van vuur gezien. […] En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken” (Handelingen 2:3-4). Vuur staat hier voor: inspiratie, begeestering.
In andere godsdiensten en religieuze tradities is die koppeling van vuur aan goddelijke openbaring eveneens wijdverbreid....
In de moderne filosofie, met het oprukken van wiskundig onderbouwde natuurwetenschappen, begint dit vuur langzaam te doven. De big bang vervangt het vuur van Herakleitos als kosmisch beginpunt. Spirituele ervaringen en religieuze vervoering worden onderwerpen voor de menswetenschappen. Filosofen buigen zich er niet meer uitgebreid over, of het moet zijn in literaire of associatieve vorm. Zoals Désanne van Brederode, die in haar boek Hoe het vuur te redden (2024) een „filosofische zoektocht” onderneemt naar de teloorgang van vuur in het moderne leven, voor haar gesymboliseerd door een cd met digitaal nagemaakt haardvuur. ... Je kunt zeggen: gelukkig, we zijn een lange weg gekomen sinds die „felle zin” – zeker heksenverbrandingen zijn toch niet echt iets om heimwee naar te hebben. Maar Van Brederode raakt wel een snaar: de roep om bezieling, nieuw elan en ‘vuur’ in de samenleving is onmiskenbaar na de veelbezongen deconfiture van het neoliberalisme.
Tot in het extreme. Verlangen naar een vurige omwenteling klinkt door bij tal van cultuurcritici die de geestloze liberale samenleving aanklagen en hunkeren naar de Apocalyps. Ze zijn in de Verenigde Staten te vinden onder christen-nationalisten die in de oorlog in Iran de voorbode zien van Armageddon en de terugkeer van Jezus op aarde. Onder islamitische terroristen die in hun strijd met Satan aanslagen op ongelovigen of, nog erger, afvalligen. Maar ook onder seculiere onheilsprofeten op de uiterst rechtse flank in Europa, die ervan dromen ‘het Systeem’ in vlammen te zien opgaan. Strijd of oorlog (polemos) is voor hen opnieuw een vitale bron, een scheppende kracht die een futloze liberale samenleving nieuw leven moet inblazen.
In zulke pyromane fantasieën eet de filosofie als denkende discipline zichzelf op, ondanks de inspanningen van Aristoteles, de nyayalogici en talloze andere subtiele en strenge denkers van Griekenland tot India en China. Soms ten gunste van een mythisch en obscuur wereldbeeld dat wordt rondgepompt door sociale media en YouTube-kanalen. De Franse politicoloog Arnaud Miranda zet dit brandbare gedachtengoed netjes – zelfs iets te netjes – uiteen in Dark Enlightenment. Hoe een nieuwe radicaal-rechtse ideologie de wereld verovert (2026). Op het omslag van een ander eigentijds boek, Frédéric Martels Tegen het Westen (2026), een lijvig – zelfs al te lijvig – overzicht van antidemocratische ideologieën wereldwijd, prijkt niet voor niets: een doosje lucifers.
Wat zou Herakleitos, de wijsgeer die als een van de eersten het vuur van de rede liet vonken, vinden van zulke pyromanie? We weten het niet, maar hebben wel dit uit het leven gegrepen fragment van hem (opnieuw in de vertaling van Paul Claes): „Een man die dronken is laat zich door een jong kind leiden, wankelend weet hij niet waar hij loopt, omdat vocht zijn geest bedwelmt.”
Ook vuur kan bedwelmen. (bron: Sjoerd de Jong, https://www.nrc.nl/nieuws/2026/07/30/het-vuur-schept-het-vuur-vernietigt-en-het-vuur-is-leidraad-voor-de-logica-a4932382)

Reacties