De filosofische eregalerij van Savater
Deze "galerij" zoals Fernando Savater het noemt, vond ik in "De vragen van het leven, een uitnodiging tot de filosofie." Zowel het boek als het idee om een galerij toe te voegen kon ik erg waarderen. Het boek overstijgt het gemiddelde introductieboek tot de filosofie.
THEODOR W. ADORNO (1903-1969)-geboren te Frankfurt (als Theodor Ludwig Wiesengrund). Na zijn studies filosofie en muziekcompositie werkte hij kort bij de universiteit, maar werd vanwege zijn joodse afkomst door de nazi's ontslagen. Daarna nam hij de achternaam van zijn moeder aan en vertrok in 1934 naar Engeland en de VS. In 1949 keerde hij terug naar Duitsland en werd de leidende filosoof van de «Frankfurter Schule», de groep denkers rond het marxistisch georiënteerde Institut für Sozialforschung. Adorno had grote invloed op de Duitse filosofie, zowel door zijn kritiek op het positivisme als door zijn vraag naar een ethiek «na Auschwitz». Tot zijn bekendste werken behoren The Authoritarian Personality, Dialektik der Aufklärung (Dialectiek van de Verlichting; met Max Horkheimer), Minima Moralia en Ästhetische Theorie.
HANNAH ARENDT (1906-1975)-geboren te Hannover (Duitsland). Na een jeugd die werd overschaduwd door de Eerste Wereldoorlog volgde een studie aan de universiteit van Marburg, waar ze Martin Heidegger leerde kennen, en in Heidelberg, waar Karl Jaspers haar mentor werd. Na de machtsovername door de nazi's volgde exil in Parijs en later de VS. Daar werd ze een van de leidende publieke intellectuelen, vooral na publicatie in 1951 van haar The Origins of Totalitarianism, een onderzoek naar het nazisme en het communisme als grote totalitaire bewegingen in de moderne tijd. Wereldberoemd werd haar Eichmann in Jerusalem (1963), een verslag van het Eichmann-proces in Jeruzalem, waarin ze vooral de «banaliteit van het kwaad» belichtte.
ARISTOTELES (384-322 V.CHR.)-geboren in Stageira (NoordGriekenland). Zijn vader was arts, onder meer aan het hof van de koning van Macedonië. Aristoteles vertrok op z'n 17de naar Athene waar hij twintig jaar studeerde aan de Academie van Plato. Na diens dood was hij onder meer leermeester van de jonge Alexander de Grote in Macedonië. In 335 voor chr. stichtte hij in Athene zijn eigen filosofische school, het Lyceum. Zijn werk beslaat een enorm breed terrein, van formele logica tot staatsinrichting, van biologie tot ethiek, en van metafysica tot natuurkunde. Zijn invloed was zeer groot op het gebied van logica, wetenschap en de christelijke metafysica van de Middeleeuwen (m.n. Thomas van Aquino). Zijn belangrijkste (bewaard gebleven) geschriften zijn Politica, Fysica, Ethica Nicomachea (Nicomacheïsche ethiek), Metafysica.
AUGUSTINUS (354-430) – geboren in Thagaste (Noord-Afrika). Terwijl zijn vader de klassieke goden aanbad, voedde zijn moeder hem christelijk op. In 391 werd hij bisschop van Hippo en bleef dat tot zijn dood. In zijn denken over het christendom werd hij beïnvloed door de ideeën van Plato en in het bijzonder door de neo-platoonse interpretatie daarvan. Zijn œuvre vormt een van de belangrijkste bronnen van het christelijke denken. Tot zijn belangrijkste geschriften behoren De Civitate Dei (De stad Gods) en Confessiones (Belijdenissen).
WALTER BENJAMIN (1892-1940)-geboren te Berlijn. Na zijn studie filosofie in Freiburg, München, Berlijn en Bern volgde een bestaan als schrijver, criticus en vertaler (alsmede onderzoeker op het gebied van psychofarmaca). Na de machtsovername door de nazi's week Benjamin in 1933 uit naar Parijs, waar hij zich aansloot bij het in exil verkerende Institut für Sozialforschung van Max Horkheimer en Theodor Adorno. Later probeerde hij naar de VS te ontkomen, maar op de vlucht voor de Gestapo pleegde hij zelfmoord in de Spaanse grensplaats Portbou. Zijn werk betreft vooral kunstkritiek en kunstfilosofie. Tot zijn belangrijkste publicaties behoren: Ursprung des deutschen Trauerspiels, Das Kunstwerk im Zeitalter seiner technischen Reproduzierbarkeit (Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid), Illuminationen.
ERNST CASSIRER (1874-1945)geboren te Breslau (nu Wrocław in Polen). Behalve filosofie studeerde Cassirer ook rechten, literatuur, geschiedenis, talen en natuurwetenschap in o.m. Berlijn, Leipzig en München. Uiteindelijk werd hij in 1929 rector van de Universiteit van Hamburg, de eerste jood die ooit zo'n positie in Duitsland kreeg. Na de machtsovername door de nazi's ging hij via Engeland en Zweden naar de VS, waar hij hoogleraar werd aan diverse universiteiten. Hij geldt als de belangrijkste neo-Kantiaan van de 20ste eeuw en hield zich behalve met kennistheorie vooral bezig met de mens als schepper van «symbolische vormen». Tot zijn belangrijkste werken behoren Das Erkenntnisproblem in der Philosophie und Wissenschaft der Neueren Zeit, Philosophie der symbolischen Formen, Die Philosophie der Aufklärung en An Essay on Man.
René descartes (1596-1650)-geboren in La Haye (Frankrijk), Werd opgeleid als Jezuïet, maar koos aanvankelijk voor een militaire loopbaan. Later besloot hij zich te wijden aan wetenschap en filosofie, en vestigde zich in de Nederlanden, toen het enige land in Europa met vrijheid van meningsuiting. Zijn opvattingen over kennis, rationaliteit en filosofische methodiek waren bijzonder invloedrijk. Descartes erkende als een van de weinige fundamentele waarheden dat een ieder die denkt, zoekt, zich vergist en onzekerheid onderkent daadwerkelijk bestaat; vandaar zijn befaamde dictum «Cogito ergo sum» – «Ik denk dus ik besta». Tot zijn belangrijkste werken behoren Discours de la méthode (Over de methode), Meditationes de prima philosophia en Principia philosophiae.
EPICURUS (341-271 V.CHR.)-zeer waarschijnlijk geboren aan de Ionische kust van de Egeïsche Zee. Hij vestigde in 307 V.CHR. een filosofische school in Athene, later bekend als «De Tuin». Zijn doel was een leven dat onthecht was van de sociaal-politieke werkelijkheid en louter was gewijd aan filosofie, vriendschap, rust en vreugde. Dit zou het best bereikt kunnen worden door een leven van eenvoud, waarin angst (gevoed door religie en dood) uitgebannen was. Hoewel zijn invloed aanzienlijk was (m.n. zijn visie op atomen als bouwstenen van de wereld) zijn slechts enkele brieven (Brief aan Herodotus; Brief aan Pythocles) en fragmenten van zijn werk bewaard gebleven.
GEORG WILHELM FRIEDRICH HEGEL (1770-1831)-geboren in Stuttgart. Als hoogleraar filosofie in Jena, Neurenberg, Heidelberg en Berlijn betoogde hij dat de wereld geen optelsom van losse objecten is, maar een complex geheel dat zich ontwikkelt als een organisme. Slechts wanneer entiteiten en gebeurtenissen deel uitmaken van dit geheel (het «Absolute»), zijn ze werkelijk en derhalve kenbaar, en dus waarachtig rationeel. Zo kwam hij tot de slotsom: «Al het reële is rationeel». In Hegels ogen was de taak van de filosofie het onthullen van de samenhang der gebeurtenissen als logisch onderdeel van het «Absolute». Alle ontwikkelingen verliepen volgens hem dialectisch, waarbij een vorm (de these) reeds zijn tegenstelling in zich draagt en die dus zelf voortbrengt (de antithese). Deze visie was uitermate invloedrijk (met name op het denken van Karl Marx). Tot zijn belangrijkste geschriften behoren Phänomenologie des Geistes (Fenomenologie van de geest), Wissenschaft der Logik, Enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften en Grundlinien der Philosophie des Rechts.
MARTIN HEIDEGGER (1889-1976) – geboren in Messkirch. Na zijn studie wiskunde en logica doceerde hij in Freiburg en Marburg, waar hij na de machtsovername van Hitler in 1933. rector magnificus van de universiteit werd en zich aanmeldde als lid van de nazi-partij. Heidegger hield zich bezig met de vraag naar het «zijn». Volgens hem werd «zijn» ten onrechte gezien als een onafhankelijk kenmerk van dingen. Hij zag echter Dasein – daadwerkelijk existeren in de wereld -als de basis van «zijn». Men «kent» de wereld dan ook niet maar «ervaart» haar door het «geworpen zijn in het bestaan». En «<zijn in de wereld» betekent ook «zijn in de richting van de dood»; alleen het besef van tijdelijkheid doet beseffen dat men gevormd wordt door de eigen houdingen en opvattingen. Ondanks zijn oorlogsverleden, was Heideggers invloed groot (m.n. op de existentialisten). Tot zijn belangrijkste werken behoren Sein und Zeit (Zijn en tijd), Identität und Differenz en Einführung in die Metaphysik (Inleiding in de metafysica).
HERACLITUS (CA. 550-CA. 480 V. CHR.)-geboren te Efese. Van alle presocraten (de Griekse wijsgeren die vóór Socrates probeerden het universum te begrijpen zonder mythologische verklaringen) was hij degene die het meest was geïnteresseerd in de wijze waarop de wereld functioneert. Hij zag het vuur als oerelement, en betoogde dat de eenheid van het universum voortkwam uit de combinatie van tegengestelden, en dat die eenheid bleef bestaan dankzij voortdurende verandering (vandaar zijn stelling «panta rei» – alles vloeit).
DAVID HUME (1711-1776)-geboren te Edinburgh. Hoewel hij als wijsgeer tijdens zijn leven geen erkenning kreeg, en in zijn bestaan voorzag als bibliothecaris, hield Hume zich hardnekkig bezig met de filosofie. Hij betoogde dat kennis tot stand komt op basis van ervaring en waarneming (die weer bestaat uit indrukken en ideeën). De ideeën vormen de basis voor mathematische uitspraken en dus van zekere kennis. De indrukken vormen de basis voor uitspraken over relaties tussen verschijnselen. Maar dit resulteert slechts in aannemelijke kennis, daar men de causale aard van de relaties niet zeker kan weten. Het feit dat iets volgt na iets anders betekent immers niet noodzakelijk dat het erdoor is veroorzaakt. Hume's zienswijze was wijsgerig empirisme gebaseerd op logisch scepticisme. Hij had aanzienlijke invloed (m.n. op de analytische taalfilosofie). Tot zijn belangrijkste werken behoren A Treatise of Human Nature en An Enquiry Concerning Human Understanding (Het menselijk inzicht).
Immanuel kant (1724-1804) – geboren te Königsberg (Duitsland, nu Kaliningrad in Rusland). Na zijn studie wijdde hij zijn leven aan de wijsbegeerte, en volgens hemzelf was het meest schokkende dat hem ooit overkwam zijn «ontwaken uit de dogmatische sluimer» door het lezen van het werk van Hume. Kant hield zich bezig met het fundamentele probleem van kennis die niet te verkrijgen is via ervaring. Hij betoogde dat dit soort kennis deels voortkomt uit waarneming en deels uit de wijze waarop wij waarnemen. Hieruit volgt dat onze kennis niet geheel en al wordt gevormd door objecten, maar dat de objecten deels worden gevormd door de manier waarop wij ze kennen. Hierdoor blijkt de «waarheid» over een voorwerp dus ook deel van onze geest die het voorwerp structureert in ruimte en tijd (de «zuivere intuïtievormen») en ook volgens de a priori categorieën die inherent zijn aan ons denken (zoals causaliteit). De consequentie is dat de metafysica zinloos is geworden, daar concepten zoals God of Vrijheid niet kunnen bestaan buiten de menselijke geest. Men kan zich weliswaar een idee van deze zaken vormen, maar niet bewijzen dat ze bestaan of niet-bestaan. Ze behoren immers niet tot kennis maar tot gedrag, en derhalve tot het terrein dat hij «praktische rede>> noemde. En die «praktische rede» draaide volgens hem om «categorische imperatieven», de principes van gedrag die alleen moreel zijn als ze tot universele wet kunnen worden vertaald. Kant bracht het rationalisme van Descartes en het empirisme van Hume samen in een filosofisch systeem met een bijzonder grote invloed. Tot zijn belangrijkste werken behoren Kritik der reinen Vernunft (Kritiek van de zuivere rede), Kritik der praktischen Vernunft (Kritiek van de praktische rede) en Kritik der Urteilskraft (Kritiek van de oordeelskracht).
GOTTFRIED WILHELM LEIBNIZ (1646-1716) – geboren te Leipzig. Hij was onder meer ambassadeur aan het hof van Lodewijk XIV, bibliothecaris en historicus, maar bovenal een universeel geleerde. Zijn belangstelling voor filosofie werd gewekt toen hij kennismaakte met het werk van Descartes. Tijdens zijn leven publiceerde hij enkele wijsgerige artikelen, construeerde een rekenmachine en vond het differentiaalen integraalrekenen uit, maar zijn belangrijkste werk bestaat uit talloze nagelaten geschriften en brieven. Volgens Leibniz bestond het universum uit een oneindig aantal atoomachtige «monaden», die geen interactie hebben maar de uitdrukking vormen van een vooraf door God bepaalde harmonie. Logisch gezien is er een oneindig aantal van deze harmonieën, ofwel werelden, maar omdat God er slechts één heeft gecreëerd, moet dat de best mogelijke zijn. Het belang van Leibniz schuilt bovenal in de logica die hij ontwikkelde om zijn metafysische opvattingen te ondersteunen. Zijn werk is verzameld in Sämtliche Schriften und Briefe.
CLAUDE LÉVI-STRAUSS (1908-2009)-geboren te Brussel. Na zijn studie filosofie te Parijs werd hij in 1934 hoogleraar sociologie aan de universiteit van Sao Paulo in Brazilië, waar hij uitgebreid antropologisch veldwerk deed. Tijdens de oorlog werkte hij in New York, en in 1948 keerde hij terug naar Frankrijk waar hij directeur werd van de École Pratique des Hautes Études en hoogleraar sociale antropologie aan het Collège de France. Met zijn structuralistische en functionalistische perspectief op de menselijke beschaving had hij grote invloed op het moderne denken. Tot zijn belangrijkste werken behoren Tristes tropiques (Het trieste der tropen), Anthropologie structurale, Les structures élémentaires de la parenté, La pensée sauvage (Het wilde denken) en Le cru et le cuit.
JOHN LOCKE (1632-1704)-geboren in Somerset. Hij volgde een opleiding tot arts, maar werd secretaris van de graaf van Shaftesbury, die vanwege zijn protestantse overtuigingen in 1683 naar de Nederlanden vluchtte. Locke keerde zes jaar later terug naar Engeland en groeide daar uit tot de beroemdste intellectueel van zijn tijd. Hij geldt als de grondlegger van het empirisme, de wijsgerige stroming waarin alle kennis (behalve wiskunde) wordt gezien als het resultaat van ervaring en waarneming. Destijds was dit een revolutionair idee, net zoals het strikte onderscheid dat hij maakte tussen kennis en geloof. Locke's opvattingen hadden grote invloed op de filosofie (m.n. op Hume en de Franse Verlichtingsdenkers) maar ook op de politiek, waar zijn gedachten de basis legden voor de liberale theorie van staatsinrichting, en aldus van grote invloed waren op de Amerikaanse grondwet en de Verklaring van de Rechten van de Mens tijdens de Franse Revolutie. Tot zijn belangrijkste werken behoren Two Treatises of Government en Essay Concerning Human Understanding.
LUCRETIUS (ca. 98-55 V.CHR.)-geboren als Titus Lucretius Carus te Rome. Over zijn leven is weinig bekend, hoewel uit zijn werk duidelijk is dat hij zich aangetrokken voelde tot de filosofie van Epicurus, en vooral tot diens filosofische introspectie en afkeer van de politieke woelingen van alledag. Met zijn wijsgerige epos De rerum natura (Over de natuur), waarin hij in zes boeken een volledige verklaring probeert te geven van de oorsprong, structuur en bestemming van alle verschijnselen in de wereld en het universum had Lucretius grote invloed (m.n. op filosofen als Henri Bergson en Pierre Teilhard de Chardin).
KARL MARX (1818-1883)-geboren in Trier. Tijdens zijn studie werd Marx beïnvloed door zowel Hegels metafysische dialectiek als door de materialistische filosofie van Ludwig Feuerbach (1804-1872). Als vriend van Friedrich Engels, directeur van een fabriek in Manchester, kreeg hij zicht op de arbeidsomstandigheden van het fabrieksproletariaat tijdens de industriële revolutie en ook op de geschriften van Engelse maatschappijcritici. In 1848 bemoeiden Marx en Engels zich met de (mislukte) revoluties in Frankrijk en Duitsland. Marx ontwikkelde de theorie van het historisch materialisme. Feuerbachs invloed is te zien in de materialistische visie op maatschappelijke ontwikkelingen, verhoudingen en ideeën, die Marx zag als de uitkomst van de heersende methoden van productie en distributie van goederen. Hegels invloed is te zien in de opvatting dat elke vorm van productieverhoudingen z'n eigen tegenstrijdigheden bevat, en dat die tegenstrijdigheden altijd leiden tot een dialectische spanning tussen productieverhoudingen en productiekrachten. Deze dialectiek was volgens Marx de drijvende kracht achter elke historische ontwikkeling. Zo zouden de productieverhoudingen van het kapitalisme onafwendbaar leiden tot klassenstrijd, met als resultaat een revolutie die zou leiden tot een klassenloze maatschappij. Marx bedoelde zijn visie als strikt wetenschappelijk en niet als moraliserend of utopisch, hoewel zijn optimisme over de sociale harmonie in een klassenloze samenleving opvallend is. Zijn invloed op politieke stromingen, maar ook op de filosofie en in meer brede zin het wereldbeeld van de 20ste eeuw is moeilijk te overschatten. Tot zijn belangrijkste werken behoren Das Kommunistische Manifest (Het communistisch manifest), Der 18. Brumaire des Louis Bonaparte, Zur Kritik der politischen Ökonomie en bovenal Das Kapital 1-111 (Het kapitaal).
JOHN STUART MILL (1806-1873)-geboren in Londen. Opgeleid als chemicus en mathematicus, publiceerde hij zijn filosofische œuvre terwijl hij werkte op het hoofdkantoor van de East India Company te Londen en actief was als parlementslid. Als empirist kwam Mill tot de formulering van de noodzakelijke voorwaarden (overeenstemming over experiment en observatie) en de voldoende voorwaarden (de methoden van onderscheiding) om iets te aanvaarden als feit. Over de menselijke samenleving betoogde hij dat de morele basisnorm die van utiliteit is, ofwel dat handelingen «goed» zijn wanneer ze het welbevinden optimaal bevorderen. Hierbij maakte hij onderscheid tussen het hogere en het lagere welbevinden. Vanuit dit perspectief kwam hij tot de formulering van een politieke filosofie waarin individuele vrijheid, democratische vertegenwoordiging, vrouwenkiesrecht en toegang tot onderwijs centraal stonden. Hiermee had hij een blijvende invloed op vooruitstrevende politieke bewegingen en het ontstaan van de verzorgingsstaat in de westerse landen. Tot de belangrijkste werken van Mill behoren A System of Logic; Ratiocinative and Inductive, On Liberty, Political Economy, Utilitarianism en Three Essays on Religion.
MICHEL DE MONTAIGNE (1533-1592)-geboren in het voorvaderlijk Château de Montaigne in de Dordogne. Als lid van het parlement van Bordeaux en burgemeester van die stad speelde hij een actieve rol in de politiek van zijn regio, maar zijn betekenis voor de filosofie is de publicatie van zijn invloedrijke bundeling korte betogen over uiteenlopende onderwerpen (variërend van «de kracht van de verbeelding» tot «vriendschap» en van «filosoferen is leren te sterven» tot <<de deugd») onder de titel Essais. Hiermee was Montaigne niet alleen de uitvinder van het woord essay, maar ook van een genre dat van groot belang zou zijn voor de intellectuele ontwikkeling in de westerse wereld en een contrapunt vormde voor academische filosofieboeken.
FRIEDRICH NIETZSCHE (1844-1900)-geboren in Röcken (Duitsland). Opgeleid als classicus en reeds jong benoemd tot hoogleraar te Bazel, werd Nietzsche gegrepen door de wijsbegeerte na lezing van Schopenhauer. Tot hij op 44-jarige leeftijd getroffen werd door een psychische en fysieke ineenstorting waarvan hij nooit zou herstellen, publiceerde hij een grote hoeveelheid boeken die tot op de dag van vandaag tot talrijke en uiteenlopende interpretaties hebben geleid. Zijn literaire en aforistische stijl, de diversiteit van onderwerpen, zijn radicale en soms obsessieve toon, en zijn visie dat het westerse waardensysteem ineengestort was (samengevat in zijn uitspraak «God is dood»), bezorgden hem uiteenlopende volgelingen: anarchisten, nihilisten, nationaal-socialisten, avant-gardisten, reactionairen en modernisten. Tot zijn belangrijkste werken behoren Die fröhliche Wissenschaft (De vrolijke wetenschap), Also sprach Zarathustra (Aldus sprak Zarathoestra), Jenseits von Gut und Böse (Voorbij goed en kwaad) alsmede Die Geburt der Tragödie (De geboorte van de tragedie).
Blaise Pascal (1629-1664) -geboren te Clermont-Ferrand. Als zestienjarige vond hij de rekenmachine uit, en niet veel later slaagde hij erin het gewicht van lucht aan te tonen. Hij legde het fundament van de waarschijnlijkheidsrekening, en ontdekte wat later de Wet van Pascal ging heten (een druk op een deel van een vloeistof plant zich voort in alle richtingen met dezelfde grootte). In zijn wetenschappelijke werk toonde Pascal zich een groot voorstander van de experimentele benadering, en keerde zich tegen het mathematische en mechanische perspectief van Descartes. Op latere leeftijd neigde hij naar overgave aan religie, in het bijzonder het strenge Jansenisme met de bijbehorende ascetische wereldverwerping en pessimistische ethiek. Zijn filosofische invloed komt vooral door zijn onvoltooid gebleven Pensées (Gedachten), een verzameling notities met de verwoording van zijn inzichten over het menselijk leven. Naast de Pensées behoren tot zijn belangrijkste werken Discours sur les passions de l'amour, Ecrits sur la grâce en Lettres provinciales.
GIOVANNI PICO DELLA MIRANDOLA (1463-1494)-geboren te Florence. Als veertienjarige vertrok hij naar Bologna om rechten te studeren en zich voor te bereiden op een kerkelijke loopbaan. Maar al snel verdiepte hij zich in filosofie, theologie, Grieks, Latijn, Hebreeuws en Arabisch, en zeven jaar lang zou hij zwerven langs de belangrijkste universiteiten van Italië en Frankrijk. Zijn doel was theologie te integreren met filosofie, en daarom verdiepte hij zich ook in mystiek en kabbalistiek. Zijn wijsgerig perspectief was hoofdzakelijk gebaseerd op Plato. Nadat zijn werk met goo stellingen over alle mogelijke zaken wegens ketterij verboden was, vestigde hij zich na omzwervingen in Florence, vernietigde al zijn poëtische werk, zwoer de wetenschap af en wijdde zich aan de verdediging van het christendom. Zijn werk markeert een keerpunt in de westerse ideeëngeschiedenis naar een «moderne» manier van redeneren. Tot zijn belangrijkste geschriften behoren Oratio de hominis dignitate (Over de menselijke waardigheid) en de verzamelde brieven in Aureae ad familiares epistolae.
PLATO (ca. 428-347 v.CHR.)geboren te Athene. Als zoon van een aristocratische en invloedrijke familie werd hij leerling van Socrates, die hij zeer bewonderde. Toen zijn leermeester in 399 V.CHR. veroordeeld werd tot het drinken van de gifbeker, verliet Plato zijn geboorteplaats en vertrok naar de Griekse steden in Sicilië en Zuid-Italië. In 387 v.CHR. Stichtte hij in Athene zijn eigen filosofische school, die bekend werd als «De Academie», en beschouwd kan worden als de eerste universiteit ter wereld (met als bekendste student Aristoteles). Vrijwel al het werk van Plato is geschreven in dialoogvorm, waarbij Socrates de rol vervult van ironische zaaier van twijfel aan de idées reçues van zijn tijd. In latere dialogen ontwikkelde Plato zijn eigen opvattingen over de onveranderlijke «ideeën» en «vormen» waarvan de zichtbare werkelijkheid niet meer dan een tijdelijke en vergankelijke afschaduwing is. Met dit metafysisch wereldbeeld was zijn invloed op het westerse denken immens, zozeer zelfs dat ooit met enige overdrijving is gezegd dat de Europese filosofie niet meer is dan een verzameling voetnoten bij Plato. Tot zijn bekendste dialogen behoren Apologie, Meno, Cratylus, Protagoras, Gorgias, Phaedo, Het Gastmaal, Alcibiades, Parmenides, De Staat, Timaeus en De wetten.
KARL POPPER (1902-1994)-geboren te Wenen. Tijdens zijn studie filosofie raakte hij korte tijd betrokken bij marxistische politieke bewegingen, ontdekte de opvattingen van Freud en Adler, en bewonderde de theorieën van Albert Einstein. Dat alles had een grote invloed op zijn denken. Hij besefte dat Einstein – in tegenstelling tot Marx, Freud en Adler degene was met een echt kritische en wetenschappelijke geest. De opvattingen van de anderen hunkerden alleen naar bevestiging, terwijl Einstein op zoek was naar een test die zijn relativiteitstheorie juist zou weerleggen. In 1937 verliet Popper Oostenrijk vanwege de dreiging van de nazi's en vertrok naar Nieuw-Zeeland, en in 1946 naar Engeland alwaar hij hoogleraar logica en wetenschapsmethodologie werd. Vanaf toen rees zijn ster snel, en hij kreeg wereldfaam als een der belangrijkste filosofen van zijn tijd, en ook als verdediger van het democratisch liberalisme en tegenstander van totalitaire wereldbeelden. Poppers œuvre is grotendeels gewijd aan het «demarcatieprobleem>»> (het onderscheid tussen wetenschap en niet-wetenschap) en de groei van kennis. Hij verwierp het empirisme (observaties noch feiten kunnen «puur» zijn, want zijn altijd deel van een theoretisch kader), evenals de inductieve methodologie (het zoeken naar bevestiging van theorieën). Popper zag integendeel wetenschap als het oplossen van problemen, waarbij niet de bevestiging van theorieën diende te worden gezocht, maar de theorie zo diende te worden geformuleerd dat duidelijk was welke observatie of theorie zou leiden tot de verwerping ervan. Dit «falsificatieprincipe» was voor hem de kern van het demarcatieprobleem. Wetenschappelijke theorieën staan open voor het testen van hun houdbaarheid. Niet-wetenschappelijke theorieën proberen juist falsificatie te ontwijken en altijd geldig te blijven. Vanuit dit perspectief zag Popper de groei van kennis als de uitkomst van de permanente concurrentiestrijd tussen pogingen om problemen op te lossen. Wetenschappelijke kennis kan dus nooit definitief «bewezen» worden, doch slechts voorlopig aanvaard of voorgoed verworpen worden. De invloed van Popper was zeer groot, en veel van de moderne wetenschapsfilosofische discussies hebben te maken met zijn inzichten, of met kritiek daarop. Tot zijn belangrijkste werken behoren Logik der Forschung, The Open Society and its Enemies, The Poverty of Historicism (De armoede van het historicisme), Conjectures and Refutations: the Growth of Scientific Knowledge en Objective Knowledge; an Evolutionary Approach.
PRESOCRATEN (7de-5de eeuw V.CHR.)-Verzamelnaam voor de Griekse filosofen die (meestentijds) vóór Socrates probeerden de wereld te begrijpen zonder een beroep te doen op mythen. Bij hen ligt het begin van het wijsgerig denken en het wetenschappelijk wereldbeeld. De presocraten waren op zoek naar de <<oer-elementen» waaruit de eenheid van het universum voortkwam, zoals water, vuur, oneindigheid of atomen. Van hun werken zijn slechts fragmenten bewaard en over hun leven is weinig bekend. De belangrijkste presocraten zijn Thales van Milete (eind 7de-begin 6de eeuw v. CHR.), Anaximander (ca. 612-545 v. CHR.), Anaximenes (6de eeuw V.CHR.), Heraclitus (eind 6de, begin 5de eeuw V.CHR.), Parmenides (eind 6de, begin 5de eeuw V.CHR.), Zeno (ca. 490-430 v.CHR.) en Democritus (ca. 460-370 v.CHR.)
JEAN-JACQUES ROUSSEAU (1712-1778)-geboren in Genève. Nadat hij op jonge leeftijd wees was geworden, en Zwitserland had verruild voor Frankrijk, leidde hij geruime tijd een opwindend leven (waarover hij schreef in zijn Les confessions Bekentenissen – de eerste autobiografie ter wereld). Zijn filosofische werk handelt voornamelijk over problemen aangaande de paradoxen van «beschaving», die de mens volgens Rousseau had gerukt uit zijn staat van «natuurlijke vrijheid»> waarin hij leefde als «nobele wilde», en hem had «geketend» in een geordende maatschappij met privé-bezit en institutionele ongelijkheid. De oplossing van het conflict tussen vrijheid en orde zag hij in een «sociaal contract», waarin de individuele vrijheid wordt ingeruild voor de rechten van gelijkwaardige burgers, die bij meerderheid de «algemene wil» tot uitdrukking brengen. Tot zijn belangrijkste werken behoren Discours sur les sciences et les arts, Émile ou de l'éducation, Julie ou la nouvelle Héloïse en Du contrat social.
BERTRAND RUSSELL (1872-1970) – geboren in Trellech (Wales). Als telg uit een aristocratische en politiek actieve familie werd Russell op jonge leeftijd wees en groeide op bij zijn grootmoeder. Na zijn studie wiskunde en filosofie in Cambridge kreeg hij daar een aanstelling, maar werd in 1916 ontslagen omdat hij dienst weigerde. Russell zou zijn gehele leven filosofie combineren met politieke activiteiten. Na de Tweede Wereldoorlog was hij een prominent tegenstander van atoomwapens. In 1950 ontving hij de Nobelprijs voor Literatuur voor zijn œuvre, dat het gehele spectrum van mathematica tot journalistiek omvat. Aanvankelijk probeerde Russell aan te tonen dat wiskunde afgeleid kan worden van logische principes, maar dit «<logicisme» kon geen stand houden tegen kritiek van o.m. Kurt Gödel. Mede vanwege zijn invloedrijke onderzoek naar de betekenis van woorden in het bijzonder van aanduidingen zoals «sommige», «alle» of «geen» wordt hij met Gottlob Frege en Ludwig Wittgenstein gezien als de grondlegger van de «analytische filosofie» (de wijsbegeerte van de relatie tussen logica en taal). Tot zijn belangrijkste werken behoren Principia Mathematica (met A.N. Whitehead), An Inquiry into Meaning and Truth, Human Knowledge; its Scope and Limits en The Conquest of Happiness.
GEORGE SANTAYANA (1863-1952) – geboren in Madrid. Hij groeide op in de VS en studeerde aan de universiteit van Harvard, waar hij ook hoogleraar filosofie werd. Hij probeerde een systeem te ontwikkelen waarin materialisme, platonisme en een schopenhaueriaans pessimisme werden verzoend. Veel van zijn werk handelt over het raadsel van schoonheid en creativiteit, alsmede over persoonlijke ethiek en de verhouding tussen spiritualiteit en de rede. Zijn belangrijkste werken zijn The Sense of Beauty: Being the Outlines of Aesthetic Theory, Scepticism and Animal Faith en The Life of Reason (1-v).
JEAN-PAUL SARTRE (1905-1980)-geboren te Parijs. Nadat hij naar eigen zeggen in zijn memoires Les mots (De woorden) – was opgegroeid in de bibliotheek van zijn grootvader, studeerde hij aan de École Normale Supérieure in Parijs. Zijn roman La nausée (Walging) uit 1938 was een onmiddellijk succes. De Tweede Wereldoorlog veranderde hem van academische filosoof in politiek geëngageerde schrijver, hoewel hij in 1943 zijn belangrijkste wijsgerige werk vervaardigde met L'Être et le néant (Het zijn en het niet). Na de oorlog was hij befaamd en omstreden vanwege zijn vele bemoeienissen met politieke en sociale kwesties, alsmede vanwege zijn ambigue verhouding met het communisme. Sattre verwoordde zijn filosofische visie ook in talrijke romans en toneelstukken, waarvoor hij in 1964 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg (die hij weigerde). Zijn hoofdonderwerp was de plaatsbepaling van de mens in de wereld. Volgens hem wordt het bewustzijn niet geregeerd door causaliteit (zoals de fysieke wereld), maar is het een activiteit die zichzelf bepaalt, die vrij is om de verbeelding te gebruiken, en kan kiezen om te accepteren of te weigeren wat de wereld biedt. Deze keuzen definiëren het zelf: de mens is wat hij kiest te zijn, en daarom is hij ook verantwoordelijk voor wat hij is, ondanks zijn neiging te doen alsof hij wordt «gedwongen» door de omstandigheden. Sartre's ideeën over de geworpenheid in de wereld, en de vervreemding van de mens waren kernthema's van het «existentialisme». Naast LÊtre et le néant behoren tot zijn belangrijkste filosofische werken Critique de la raison dialectique, L'existentialisme est un humanisme (Het existentialisme is een humanisme) en Question de méthode (Het probleem van een methode).
JOHANN CHRISTOPH FRIEDRICH VON SCHILLER (1759-1805)-geboren te Marbach. Na een opleiding tot militair en de studies rechten en medicijnen, ontwikkelde hij zich tot de leidende dramaturg van zijn tijd (met stukken als Wilhelm Tell, Maria Stuart en de Wallenstein cyclus). Naast Goethe was Schiller de voorman van de Sturm und Drang, de culturele stroming van de Duitse romantiek. In zijn werk stonden fysieke en geestelijke vrijheid centraal. Behalve toneel schreef hij ook essays, studies en poëzie. Onder invloed van Kant ontwikkelde Schiller een esthetische theorie waarin het sublieme en de creatieve kracht van de mens centraal stonden. Deze visie legde hij vast in zijn belangrijkste filosofische werk Über die ästhetische Erziehung des Menschen in einer Reihe von Briefen (Brieven over de esthetische opvoeding van de mens).
ARTHUR SCHOPENHAUER (1788-1860)-geboren te Danzig. Hoewel zijn vader voor hem een commerciële loopbaan had uitgestippeld, koos Schopenhauer voor de filosofie en de literatuur. Tussen 1820 en 1831 doceerde hij wijsbegeerte aan de Universiteit van Berlijn, waarna hij zich terugtrok in Frankfurt. Zijn hoofdwerk, Die Welt als Wille und Vorstellung (De wereld als wil en voorstelling), schreef hij al in 1818. Hierin wordt de Wil gepresenteerd als de fundamentele realiteit achter de waarneembare werkelijkheid. Deze Wil (die alle individuele willen omvat) is tijdloos en ondeelbaar, en manifesteert zich in de natuur en het universum. De Wil is ook de grond van al het menselijk lijden. Er is immers in het leven geen doel of reden waardoor men verlossing zou kunnen bereiken. Schopenhauer biedt twee uitwegen uit deze toestand: enerzijds de tijdelijke esthetische ervaring en anderzijds de overwinning op de Wil. Hiertoe hield hij zich als eerste westerse filosoof bezig met het hindoeïsme en boeddhisme. Hij nam het idee van Nirwana over: de toestand waarin geen wil of actie is, en derhalve de geestesstaat die men dient na te streven. Naast Die Welt als Wille und Vorstellung zijn andere bekende werken van Schopenhauer Über die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde, Über das Fundament der Moral en Parerga und Paralipomena.
SOCRATES (470-399 V.CHR.) – geboren te Athene. Hoewel hij niets heeft geschreven en over zijn leven bijzonder weinig bekend is (behalve dat hij getrouwd was en stierf na een veroordeling tot de gifbeker vanwege «het corrumperen» van de jeugd en het <<niet erkennen» van de goden van Athene), is Socrates een van de belangrijkste figuren uit de westerse filosofie. Uit de teksten over hem die zijn bewaard (m.n. Plato's «dialogen») blijkt dat zijn leven was gewijd aan het bediscussiëren van de grote en eeuwige levensvragen zoals <<wat is goed?», «wat is deugd?», «wat is rechtvaardigheid?» en «wat is vroomheid?». In zijn gesprekken nam Socrates als uitgangspunt zijn eigen lijfspreuk «ik weet alleen dat ik niets weet», en hield op ironische wijze de waarheden van zijn tijd tegen het licht. Hij zag de zoektocht naar kennis als het belangrijkste dat een mens kan ondernemen, omdat men alleen door kennis tot inzicht kan komen in wat goed en rechtvaardig is. Socrates' betekenis voor de wijsbegeerte is niet te overschatten: hij maakte het formuleren van relevante vragen en het laten botsen van argumenten tot de kern van de filosofie.
OSWALD SPENGLER (1880-1936) – geboren te Blankenburg. In zijn jeugd had hij literaire aspiraties en was een bewonderaar van Goethe en Nietzsche, maar na zijn studie werd hij (dankzij een erfenis) zelfstandig filosoof. Hij publiceerde sterk antiparlementaire betogen, en ontwikkelde een somber en reactionair beeld van de beschaving. In zijn werk schetste hij de ondergang van het Westen als onafwendbaar onderdeel van de cyclische gang der wereldgeschiedenis, hetgeen in de jaren na de Eerste Wereldoorlog in vruchtbare aarde viel. Naast zijn belangrijkste werk Der Untergang des Abendlandes (De ondergang van het avondland) schreef hij o.m. ook Der Mensch und die Technik.
BARUCH DE SPINOZA (1632-1677)-geboren te Amsterdam. Hij groeide op in een gelovig joods gezin dat de Inquisitie in Portugal was ontvlucht en toevlucht had gezocht in de Nederanden. Na zijn studie van de filosofie van Descartes ontwikkelde hij evenwel zulke onorthodoxe ideeën dat hij in 1656 uit de joodse gemeenschap werd verstoten. De rest van zijn leven leidde hij een simpel bestaan dat was gewijd aan studie en wijsbegeerte, terwijl hij in zijn levensonderhoud voorzag door het slijpen van lenzen. Spinoza hield zich bovenal bezig met drie onderwerpen: God, het wezen van de mens en vrijheid. Hij zag God als «substantie», ofwel «dat wat bestaat in zichzelf en voortkomt uit zichzelf» en derhalve «noodzakelijkerwijs bestaat». Vaak gebruikte hij de uitdrukking «God, of de Natuur» om duidelijk te maken dat God niet de wereld had geschapen maar de wereld is. De werkelijkheid was in zijn ogen de manifestatie van de oneindige <<substantie», dus van Gods bestaan. Maar dit betekende, betoogde hij, dat ook alles wat gebeurt een manifestatie van God is, hoewel dat niet wil zeggen dat de mens geen vrije wil heeft. Elke manifestatie van God heeft immers een eigen aard en drift tot zelfbehoud («conatus»), die in het geval van mensen zowel lichaam als geest omvat. Omdat met het vergroten van het begrijpen van onszelf en van de wereld ook ons begrip toeneemt van wat noodzakelijk en eeuwig is, zo stelde hij, dienen we te leven volgens de wetten van de rede om werkelijk vrij te zijn. Want vrijheid is niet de bevrijding van wat noodzakelijk is, maar de bewustwording van wat noodzakelijk is. Alhoewel Spinoza in filosofische zin geen school heeft gemaakt, hebben zijn ideeën toch grote invloed gehad op de meest uiteenlopende denkers. Tot zijn belangrijkste werken behoren Tractatus de intellectus emendatione (Verhandeling over de verbetering van het verstand), Renati des cartes principiorum philosophiae (Principes van de Cartesiaanse filosofie) en bovenal het postuum gepubliceerde Ethica more geometrico demonstrata (Ethiek, gedemonstreerd volgens geometrische ordening).
Ludwig Wittgenstein (1889-1951)-geboren te Wenen. Hoewel hij begon met de opleiding voor ingenieur in Berlijn en Manchester, raakte hij al snel geïnteresseerd in wiskunde en de filosofische vragen over de grondslagen daarvan. Hij vertrok naar Cambridge om zich bij Bertrand Russell hierin te verdiepen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij in het Oostenrijkse leger, en in deze jaren voltooide hij het enige werk dat bij zijn leven zou worden gepubliceerd: Tractatus logico-philosophicus. Na de oorlog was hij enige tijd dorpsonderwijzer, totdat hij in 1929 terugkeerde naar Cambridge als hoogleraar filosofie. Zijn aanvankelijke doel was om aan te tonen dat filosofische problemen kunnen worden opgelost door een juist begrip van de logica van taal. Maar zijn benadering was geheel nieuw. Volgens Wittgenstein was de taak van de filosofie niet om traditionele wijsgerige vragen over waarheid", «kennis», of «de juiste manier om te leven» te beantwoorden. Dat waren schijnproblemen die voortkwamen uit het niet begrijpen van taal. De werkelijke taak van de filosofie was juist het ophelderen van het wezen van gedachten en spraak, oftewel taal. Hij betoogde dat zowel taal als de wereld een onderliggende structuur hebben, en dat elk niveau in de structuur van taal overeenkomt met een niveau in de structuur van de wereld. De grenzen van wat betekenisvol kan worden gezegd, en dus gedacht, zijn opgelegd door die structuren en de wijze waarop ze met elkaar verbonden zijn. Wanneer een uitspraak niet overeenkomt met een bepaalde stand van zaken in de wereld, is die uitspraak niet onjuist, maar heeft simpelweg geen betekenis. Dit wil niet zeggen dat Wittgenstein meende dat ethiek, esthetiek of religie onzin zijn, maar wel dat pogingen om iets betekenisvols over die levensgebieden te zeggen geen zin hebben, omdat het hier per definitie gaat om zaken die niet in betekenisvolle uitspraken verwoord kunnen worden. Alleen feitelijke uitspraken hebben immers betekenis in logische zin. Het probleem is evenwel dat de uitspraken van de filosofie ook geen feitelijke uitspraken zijn, en derhalve ook geen betekenis hebben hetgeen, zo merkte Wittgenstein op, ook gold voor zijn eigen Tractatus, die men slechts diende te beschouwen als een <<ladder>> die men na gebruik kon weggooien. In zijn latere werk (dat postuum is uitgegeven) verwerpt hij de stelling uit de Tractatus dat het mogelijk is één enkele logica van de taal vast te stellen, omdat taal wordt gebruikt in talrijke verschillende «taalspelen». De werking van taal begrijpen, betekent bovenal begrijpen hoe de taal te gebruiken en wat de regels van de taal zijn en die regels zijn deel van de gemeenschap waarin de taal functioneert. Wel hield hij vast aan de visie dat het de taak is van de filosofie om taal te begrijpen, maar veeleer dan door het ontwerpen van één model, moest dit gebeuren door het nauwkeurig beschrijven van «taalspelen». De invloed van Wittgenstein op de westerse filosofie, en in het bijzonder op de analytische taalfilosofie, is immens. Naast de Tractatus is zijn werk postuum onder meer uitgegeven in Philosophische Untersuchungen (Filosofische onderzoekingen), The Blue Book, The Brown Book alsmede Bemerkungen über die Grundlagen der Mathematik en Philosophische Grammatik.


Reacties